Opinie

Massale mars

Soms is het best aangenaam om regeringsleider te zijn, zoals gistermiddag bij de Mars van de Republiek in Parijs. Je wordt snel ingevlogen, maakt een praatje met andere regeringsleiders en gastheer Hollande, laat je op de foto zetten met mevrouw Merkel, wandelt een kwartiertje aan het hoofd van de stoet – en keert weer voldaan huiswaarts, terwijl het gepeupel nog minstens drie uur naar het eindpunt op de Place de la Nation moet strompelen.

De enige zorg voor de regeringsleiders: zit ik vooraan in de kopgroep? Van meet af aan was duidelijk dat Hollande en Merkel een onafscheidelijk duo zouden vormen. In Nederland hebben we daar een aardige uitdrukking voor: wie betaalt, bepaalt. Zolang Duitsland in Europa meer betaalt dan Frankrijk, krijgt Merkel bij elke officiële gelegenheid de plek naast Hollande.

Hollande deed het voor zijn doen redelijk, vonden de tv-commentatoren. Het was een weinig flatteuze formulering, maar ik begreep wat ze bedoelden. In zijn publieke optreden lijkt Hollande gehinderd door een zekere faalangst, die zich samenbalt in dat stijve pinguïnachtige ruggetje. Als ik zijn adviseur was, zou ik voortdurend denken: als dit maar goed afloopt. Zal hij niet van de zenuwen Merkel vol op de mond kussen, verwart hij Netanyahu niet met Abbas en Cameron met Rutte?

Over Rutte gesproken: hij mocht niet op de voorste rij, ook al had hij nog zo zijn best gedaan op de Dam, en hij kreeg ook geen hug van Hollande, zo’n wangschamping waarbij beide deelnemers zo uitdrukkingsloos mogelijk naar de einder kijken. Hij moest het doen met een snel handje, maar leek er niet door beledigd; als premier van Nederland ken je je plek in de rangorde der naties: je mag meedoen zolang je maar niet lastig wordt.

Af en toe week Hollande zogenaamd spontaan van zijn route af om iemand, een burger of een politieman, de hand te drukken en diep in de ogen te kijken, waarbij je hem bijna hoorde denken: waar moet ik het nou in godsnaam over hebben?

Toch werkte zijn krampachtigheid juist goed toen hij enkele familieleden van de slachtoffers van de aanslagen moest omhelzen. Onhandigheid versus verdriet levert bij de toeschouwer dubbele ontroering op. Maar het werd pas écht slikken toen Hollande allang vertrokken was en een mannelijk familielid zich tegelijkertijd moest ontfermen over een ontroostbare vrouw én man; ik zag het op het Franstalige station TV5 Monde dat meer close-ups liet zien dan de Nederlandse tv.

Er zouden in Parijs anderhalf miljoen deelnemers aan deze mars zijn geweest: een massale mars dus, misschien wel de grootste uit de Franse geschiedenis. De sfeer was gemoedelijk, vertelde een verslaggever, zelfs de politiemensen werden toegejuicht – wat weleens anders is geweest bij Franse demonstraties.

Wat ik miste was een climax. Na drie uur demonstreren verwacht je een paar pittige sprekers op het podium. Een toespraak van Hollande zou een politieke lading hebben gekregen, hoorde ik zeggen. Maar misschien dacht men ook wel: een toespraak van Hollande kan nooit een climax worden.

Thuis bleef de kijker achter met één brandende vraag: waren er nou wel of niet veel ‘hoofddoekjes’ onder de demonstranten? Daarover verschilden de waarnemingen in het veld, en daarom mag ik de mijne er wel aan toevoegen: ik telde er drie, ongeveer even weinig als tijdens de demonstratie in Amsterdam.

Quel dommage!