Lange samenwerking vol stoere poëzie

Martha Argerich & Claudio Abbado in de jaren zestig
Martha Argerich & Claudio Abbado in de jaren zestig

Je ziet ze per cd-hoesje samen ouder worden: Claudio Abbado en Martha Argerich, de fijnzinnige dirigent en de vurige pianiste, wier liefdevolle muzikale verbond nu als testament in een cd-box is vastgelegd. Vijf cd’s met de complete pianoconcertopnamen getuigen van een relatie die tussen 1967 en 2013, vlak vóór Abbado’s dood, aan inspiratie niets heeft ingeboet.

Beide musici kenden elkaar al in de jaren vijftig, van het Weense pianoklasje van Friedrich Gulda. De eerste gezamenlijke plaat vliegt van enthousiasme bijna uit de bocht: Prokofjevs Derde pianoconcert bruist van de blozende climaxen. In de finale is de stilte voor de storm juist bloedstollend geduldig: je weet dat er iets groots komt, maar men neemt alle tijd. In de slotfase geeft Argerich veel aandacht aan dwarse ritmiek zonder momentum te verliezen. In het hoogste pianoregister steekt ze vuurwerk af.

Interessant is de dubbele opname van Ravels Pianoconcert in G uit zowel 1967 als 1984, met respectievelijk de Berliner Philharmoniker en het London Symphony Orchestra (LSO). De Berliner zijn het betere orkest – Abbado realiseert daar een lichte Franse toets en een scherpe tekening, terwijl de Londense opname grover is, met rommeliger orkestsolisten (een licht aangeschoten fluitinzet in het langzame deel). Argerich is in beide versies uiterst bevlogen en prettig onvoorspelbaar, maar laat het dromerige Adagio juist geheel voor zich spreken.

De relatie was niet altijd gelijkwaardig. Chopins Tweede pianoconcert, opgenomen in 1968, wordt door Abbado en het LSO wat overspannen neergezet, waarna Argerich vanaf haar eerste inzet het commando overneemt: zeker geen poezelige Chopinpianist, wel stoere poëzie. In Tsjaikovski’s Eerste pianoconcert leest ze, wie weet door Abbado’s zachte hand mild gestemd, de meer pompeuze klavierleeuwen de les. Levenslustig, koninklijk, met pathos en power maar zonder hardhandig te worden – zó hoor je Tsjaikovski’s paradepaard het liefst.

Ook in het klassieke repertoire is Argerich een autoriteit. De Pianoconcerten KV503 en KV466 van Mozart zijn trefzeker in frasering en markant van toucher. Abbado volgt nauwgezet en verkiest een gloedvolle klank boven de meestal puntiger aanpak van de historisch geïnformeerde uitvoeringspraktijk. Deze laatste opnames uit 2013 met het Orchestra Mozart tonen hoe bestendig de uiteenlopende karakters van Abbado en Argerich elkaar in evenwicht hielden.