Ik praat liever niet met vreemden over mezelf

Is het mogelijk Maxim Februari zover te krijgen dat hij vertelt over zijn dromen, zijn ervaringen, iets wat niet eindeloos beredeneerd is? De interviewer komt een heel eind.

Illustratie Enkeling
Illustratie Enkeling

Hij is in de loop der jaren geïnterviewd door heel wat bizarre types, zegt Maxim Februari. „De gekste was een journaliste van een tijdschrift over geslaagde carrières. Op de afgesproken tijd kwam ze voorrijden, maar vreemd genoeg stapte ze niet uit de auto. Vanuit mijn huis zag ik dat ze een sigaret opstak en voor zich uit ging zitten staren. Na twintig minuten belde ze eindelijk aan. Het speet haar dat ze zo laat was, zei ze. Ze had vreselijk vastgezeten in het verkeer.”

In voorbereiding op ons vraaggesprek heb ik gedienstig de knipselmap gelezen en ik weet dus dat Februari helemaal is opgebouwd uit koele gereserveerdheid, volslagen ernst en een licht loensend oog. Deze combinatie maakt het voor de interviewer niet gemakkelijk zijn gemoed te peilen. Tilt hij zwaar aan het rare gedrag van zulke journalisten? „Nee, nee, nee. Begrijp me niet verkeerd. Ik vond die vrouw wonderlijk fascinerend. Het is al twintig jaar geleden, maar nog iedere dag denk ik aan haar. De volslagen onbegrijpelijkheid van zulk gedrag! Niet alleen dat ze in de auto bleef zitten, maar ook dat ze op een plek deed waar ik haar wel moest zien. Ik probeer al twintig jaar grip op te krijgen op de situatie, en dat lukt me niet.”

Hij kijkt er voor zijn doen vrolijk bij. Toch moet de situatie hem hebben geërgerd. Bekijk je zijn cv, vooral zijn opleidingstraject en zijn arbeidsleven, dan zie je iemand die hardnekkig probeert greep te krijgen op de wereld. Omdat ik hoop een paar intieme bekentenissen van hem los te weken, besluit ik het maar plompverloren te zeggen. Dat hij niet overkomt als een man die aan onbegrijpelijkheid veel plezier beleeft.

„Misschien niet op alledaags niveau, nee. Maar op meta-niveau is nu eenmaal alles leuker en geloof me, daar ben ik echt dol op de onbegrijpelijkheid. Niet in de vorm van onredelijkheid of pure onzinnigheid, maar ik hecht erg aan het onbevattelijke dat ons over de grenzen laat kijken van wat ons beperkte verstand nog vermag.”

Beperkte verstand? De mens dringt toch steeds dieper in de dingen door?

„En maakt daarbij aanhoudend de fout te denken dat hij vanuit zijn notendop alles overziet. ‘I could be bound in a nutshell, and count myself a king of infinite space’. De laatste eeuwen is in onze cultuur een sterke fixatie ontstaan op begrip en juist die ontwikkeling heeft een groot intellectueel nadeel. Nee, dat is geen contradictie, er kleven inderdaad intellectuele bezwaren aan de dominantie van de rede. Ik kwam laatst in een oud schriftje een notitie tegen waarvan ik niet meer weet waar ik die vandaan heb gehaald. ‘Begrijpen is een model maken.’ Zo is het precies. Met je verstand greep krijgen op de wereld is een model maken, en elk bruikbaar model vraagt om abstractie, reductie, het buitensluiten van informatie. In dat proces van weglaten verlies je onherroepelijk iets en wat je kwijtraakt is nou juist de ongrijpbaarheid van de wereld.”

Het onbegrijpelijke is van belang, zegt u, omdat het niet valt te begrijpen. Dat lijkt me niet zo opzienbarend als inzicht. Wat betekent het praktisch? Stelt u voor modellen af te schaffen als methode om de werkelijkheid te doorgronden?

„Natuurlijk niet. Integendeel. Het is alleen belangrijk te beseffen dat abstracties hulpmiddelen zijn om te kunnen handelen, denken, om je bewustzijn te organiseren en iets te zeggen over de wereld. Die hulpmiddelen moet je vervolgens niet verabsoluteren en tot afgod verheffen. Maar uiteraard kun je ook niet zonder. Zonder reductie, zonder het weglaten van informatie uit je denken, zou je de wereld zelf moeten hanteren als model van de wereld. En dat is niet bijster praktisch. Al is het wel de meest zuivere benadering. Een van mijn favoriete citaten stamt van de cyberneticus Arturo Rosenblüth: ‘The best material model of a cat is another, or preferably the same, cat.’”

Zo zijn we binnen een paar minuten opgestegen tot theoretische hoogtes. Beneden woelt de wereld met al haar kleine en grote gebeurtenissen. Op het moment dat we elkaar spreken besluit Noord-Korea films uit China in de ban te doen, op straat slepen opgeschoten jongens met kerstbomen die ze in het weiland gaan verbranden, maar het is de vraag of Februari er oog voor heeft. De koffie die hij me had beloofd blijkt vergeten en hij geeft geen signalen af die hoop bieden op drank in de komende paar uur. Ik begin mee te voelen met de journaliste die twintig minuten lang moed moest verzamelen voordat ze besloot aan te bellen.

Nog eens: waarom is het in het dagelijks leven van belang oog te hebben voor de ongrijpbaarheid van de wereld?

„O, dat is simpel. Het is duidelijk dat we hard op weg zijn vast te draaien in onze bekrompen illusie dat we alles kunnen begrijpen en beheersen. We draaien vast in bestuur, wetenschap, economie. Het bekendste voorbeeld uit recente jaren is het model voor het berekenen van complexe financiële risico’s. De econoom David Li stelde een formule op waarmee je uiteenlopende gebeurtenissen in een onderling verband kon plaatsen, en waarschuwde meteen dat die formule slechts een model was, met alle beperkingen van dien. Maar in de praktijk gingen beurshandelaren en bankiers ermee aan de slag alsof er geen onvoorziene gebeurtenissen in de wereld of op de financiële markten bestonden. De schade is duizelingwekkend. Dat ligt niet aan Li, en ook niet aan zijn model, maar aan misvattingen over wat een model is.”

Wat moet een bankier dan wel doen?

„Nederig zijn. Begrijpen dat de werkelijkheid zo complex is dat je die met je instrumenten niet volledig kunt controleren. Het is een van de drie uitgangspunten van het bureau op het gebied van veiligheid waarin ik af en toe meedraai. “De echte wereld is onvoorspelbaar.” Die formulering heb ik overigens niet bedacht, maar mijn compagnon, die piloot is. Iedereen die in het primaire proces werkt, in de echte wereld, dus niet in de wereld van de afgeleiden, weet dat je de wemeling van voorvallen en situaties niet kunt vastleggen in abstracties, regels, formules, protocollen. Je weet nooit welke onvoorziene situatie je nog eens zult tegenkomen. Dat geldt voor onze omgang met de materiële wereld: je kunt wel ingrijpen in de natuur, maar je weet vooraf niet welke effecten je over het hoofd ziet. En het geldt voor onze omgang met menselijk gedrag. Laat ik nog eens een van mijn favoriete citaten opdiepen. Van de econoom Amartya Sen ditmaal. ‘The coolly rational types may fill our text books, but the world is richer.’”

De avond valt, er zit sneeuw in de lucht, je voelt de kou optrekken vanuit de kelder. Februari zit in gedachten verzonken en plotseling overvalt mijzelf een wild verlangen naar de wereld. Pleinen vol mensen, fabrieken met machines, papegaaien in het oerwoud. Die hele bonte wemeling waarover hij steeds spreekt, en die in zijn gezelschap verder weg lijkt dan ooit. Hoe verstandiger hij op me inpraat, hoe meer ik snak naar de pracht en gruwelen van de ver beelding. Kan ik hem nog zover krijgen dat hij vertelt over zijn dromen, zijn ervaringen, iets wat niet eindeloos beredeneerd is? Puur uit frustratie begin ik met mijn balpen tegen mijn tanden te tikken, maar hij merkt mijn ergernis niet op en praat alweer verder.

„Het meest praktische dat ik erover kan zeggen is dat regels en theorieën er zijn ten behoeve van het leven en het handelen. Zorg dan ook dat ze daaraan dienstbaar blijven. Nog praktischer: zorg dat je management en je afdeling marketing dienstbaar blijven aan dat wat je als bedrijf, gemeente, universiteit, winkelketen aan het doen bent.”

Hoe?

„Het is een kwestie van vitaliteit. Dat hopeloze vastdraaien in afgeleide waarden als efficiëntie, winst en public relations komt deels voort uit de omstandigheid dat Nederland zo weinig vitaal is. Vitaliteit wordt hier al snel aangezien voor onnozelheid of gebrek aan beschaving. De klassieke denkwijze – gericht op ordening, categorisering, op de plattegrond, niet het gebied – overheerst. De romantiek van de afzonderlijke gevallen raakt uit het oog verloren. Vooral in Nederland zijn romantische tegenstromingen altijd meteen verdacht, terwijl die klassieke aanpak toch ook zijn gevaren heeft. Als je niet uitkijkt, leef je niet ten slotte meer in de wereld, maar in een model van de wereld. Een afgeleide wereld, waarin je niet aan politiek doet, maar alleen nog praat over campagnestrategieën van politici. Het is handel in derivaten, en die klapt een keer in.’

In een nawoord bij het verzameld werk van Franz Kafka schreef u over dadeloosheid en de neiging te blijven zitten waar je zit. Een van Kafka’s personages zit zelfs jarenlang op een krukje voor een poort zonder dat hij probeert binnen te komen. Dat is niet erg vitaal. En u hebt het met zoveel inleving geschreven dat het wel een zelfportret leek. Ik wil niet vervelend doen over uw pleidooi voor vitaliteit, maar we zitten inmiddels in het donker en ik kan mijn eigen aantekeningen niet meer goed lezen.

„O, ja, haha. Hier zit ik op mijn krukje voor de poort, terwijl u vol zit met dadendrang. Ja, nee, u hebt gelijk. Het werk van Kafka gaat in belangrijke mate over systemen die over de bijzonderheden van het individuele geval heen walsen. Wetten die zich loszingen van de werkelijkheid. Kafka beschouwde natuurlijk ook zijn eigen schrijven als een afgeleide vorm van leven en daarvan zag hij zelf heel scherp de bezwaren.”

U ontwijkt mijn vraag. Is dat essay een vorm van zelfkritiek geweest? Waarom wilt u niet praten over uw privéleven?

„Maar dit ís mijn privéleven. U zit er nota bene midden in. Doordringen in iemands gedachtewereld: veel intiemer dan dat kunt u het niet krijgen. Wat u kennelijk beschouwt als een privéleven bestaat vooral uit allerlei lichamelijk gedoe. Geboorte en dood.”

Is dat niet juist waar vitaliteit om draait – dat lichamelijke gedoe? De belichaming van het ‘ik’?

„Jawel, ik misken het belang van het ‘ik’ ook helemaal niet. Helemaal niet. Maar dat is een vorm van vitaliteit die je moet beleven. Ik wil niet met vreemden over mijn ik praten; dat interesseert me niets.”

Probeer het eens op meta-niveau.

„Aha, now we’re talking. Op meta-niveau is het ‘ik’ natuurlijk wel weer veel leuker. Daar draait het niet om seks of hoeveel kinderen je hebt, maar om de positie van waaruit je naar de wereld kijkt. Je kunt er naar streven objectief te zijn, maar dat neemt niet weg dat je altijd vanuit een bepaald standpunt of ‘ik’ functioneert. Dat is ook de grote verdienste van die veelgesmade relativering: je relateert je mening aan je positie. Mensen zien relativering al gauw als een zwakte of een vorm van onverschilligheid, maar in het positieve zin betekent relativeren: duidelijk maken waar je staat. En dat je dit zegt omdat je daar staat.

In het ideale geval heeft het ik vervolgens niet een vast standpunt of een vaste positie. Je bent bijvoorbeeld nooit alleen maar burger. Het schokt me iedere keer weer dat niemand in Nederland dat weet, maar je bent niet in alle momenten van je bestaan een burger, je bent als mens zoveel meer. Een mens is nooit alleen maar haar verstand – wat is ze dan nog meer? Je neemt nooit alleen maar een politieke beslissing op basis van een financiële berekening – welke informatie heb je nog meer nodig? Proberen te voorkomen dat je met z’n allen een tunnel inschiet, dat is de opdracht. Niet alleen naar de formele ijkpunten in het cv kijken, maar ook, zoals Szymborska zegt, naar de ‘rommeltjes van vroeger’.”

Nu Februari op stoom is, begint hij warempel levendig te praten over het punt waar orde en wanorde elkaar kruisen. Het overgangsgebied dat verwijst naar het Jenseits in uns. Maar het is mooi geweest, ik ben toe aan een borrel. Op zijn website citeert Februari de grote dichter Nijhoff. ‘Onder mijn huid leeft een gevangen dier, dat wild rond woelt en zich een uitweg bijt.’ Dat mag volgens zijn eigen inschattingen dan waar zijn, ik merk van dat wilde rondwoelen niet zoveel en maak dat ik wegkom voordat ik hier voorgoed op een krukje voor de poort moet blijven zitten. Ik wil door de poort naar binnen. In debat. Kabaal maken. Ik wil SBS6 kijken. Op de bananenboot naar Venezuela. Ik wil leven!

Thuis blader ik door mijn aantekeningen en ik vraag me af of hiervan nog iets valt te maken. Net als zo vele interviewers voor me is het me niet gelukt erachter te komen of Maxim Februari beschikt over die innerlijke rijkdom die hij zo bejubelt. Geen flauw idee of er iets diep in hem leeft. Ga ik deze tekst uitwerken? Het lijkt hem zelf weinig uit te maken; hij heeft geen grote verwachtingen van het portret dat ik van hem zal schilderen. En dat is, beredeneert hij monter, omdat een interview volgens hem meer zegt over de interviewer dan over de geïnterviewde.