Gezocht: gedreven buitenlanders

Er zijn te weinig schaatsers aan de top. Aan sporters als de Estse Saskia Alusalu is dringend behoefte.

Saskia Alusalu tijdens haar 1.500 meter waarop ze gisteren zeventiende en voorlaatste werd. Met 2.07,39 eindigde ruim elf seconden achter winnares Ireen Wüst.
Saskia Alusalu tijdens haar 1.500 meter waarop ze gisteren zeventiende en voorlaatste werd. Met 2.07,39 eindigde ruim elf seconden achter winnares Ireen Wüst. Foto ANP

Saskia Alusalu kijkt boos. Ze is niet helemaal naar de Oeral gereisd voor een zestiende plaats op de drie kilometer, haar beste afstand. Toch is het al een wonder dat ze erbij was, voor iemand die twintig jaar geleden werd geboren op het platteland van Estland. Nog maar een paar jaar geleden nam ze elke vrijdagmiddag na school de trein naar Talinn, en dan de veerboot naar Helsinki, om te trainen op een 400-meterbaan. Die heeft Estland niet. Drie keer trainen: ’s avonds en ’s ochtends van acht tot tien, en zaterdag met de nachtboot weer terug. Zo veel houdt ze van deze sport.

Schaatsen in de kelders van Europa. Het gros van de EK-deelnemers kan alleen maar dromen van een schaatscultuur als die van Nederland. Estland had ooit een olympisch kampioen, maar Ants Antson reed in 1964 voor de Sovjetunie toen hij in Innsbruck Kees Verkerk versloeg op de 1.500 meter. „Na hem stierf het schaatsen in Estland uit”, zegt Alusalu in Tjseljabinsk.

Met een glimlach vertelt ze hoe een dorpsgenoot, Väino Treiman, het atletiekbaantje bij haar school in Adavere ging besproeien in de winter. Konden ze schaatsen. „Het is nog steeds de enige ijsbaan in Estland.”

Kunstschaatsen

Op deze 250-meterbaan, in een dorpje met 500 inwoners, rijdt ze jaarlijks de Estse kampioenschappen, met een stuk of tien meiden. „Ik heb iets van 34 titels.” De eerste dateert van 2006. Toen was ze 12. „Mijn vader nam mij en mijn zussen vroeger altijd mee naar de meren. Daar reden we op kunstschaatsen. Ik weet nog dat er een keer iemand in ons dorp kwam met echte noren. We waren stomverbaasd hoe hard hij reed.”

Ze kreeg zelf ook een tweedehands paar – maar ze kon er goed mee uit de voeten. Alusalu kreeg de kans mee te doen aan de Viking Race, een groot internationaal jeugdtoernooi in Heerenveen. Daar kwam ze in contact met Marnix Wieberdink, oprichter van de Kia Schaatsacademie in Inzell. Van het een kwam het ander. Als 17-jarige trok ze in haar uppie naar Zuid-Duitsland, 1.500 kilometer van huis. „Ik mis mijn familie, maar dit is wat ik wil. Ik doe dit uit liefde voor het schaatsen.”

Wim den Elsen zag haar twee jaar geleden voor het eerst in Inzell, waar hij een van de trainers is. „Ze stond helemaal scheef op haar schaatsen. Nog geen clubniveau in Nederland. Nu gaat ze een beetje schaatsen. Ze traint hard, ze heeft er alles voor over.”

Ze gaf er zelfs een vioolcarrière voor op in Estland, waar ze zeven jaar op de muziekschool zat. Maar makkelijk is haar schaatsleven allerminst. Waar de Nederlandse fullprofs soms vorstelijk worden betaald, moet Alusalu jaarlijks ruim 17.000 euro betalen aan de academie. Daarvoor heeft ze wel kost en inwoning, een trainer, een overdekte ijshal en medische begeleiding. De schaatsbond in Estland betaalt mee, net als de academie. Hoeveel Alusalu zelf betaalt wil ze niet kwijt. „Ik zoek sponsors in Estland, dat moet wel. Maar ik vind het vreselijk om mezelf te verkopen.”

Ze is niet alleen: alle schaatsers buiten Nederland voeren dagelijks strijd met hun financiële beperkingen. Niet voor niets waren er in Tsjeljabinsk minder deelnemers dan ooit: 21 mannen en 18 vrouwen. De EK bieden plek aan 34 mannen en 34 vrouwen uit 22 landen, maar zoveel zijn er simpelweg niet. Den Elsen: „Er moet wel wat gebeuren. Anders heb je straks op de Spelen geen bestaansrecht meer.”

Schreeuwende behoefte

Goed nieuws is er ook: Den Elsen, voormalig coach van wereldtoppers als Bob de Jong en Gianni Romme, is in oktober begonnen met een Spanjaard, Iñigo Vidondo. „Een skeeleraar, heel gedreven. Rijdt de 1.500 meter in 1.53. Hij moet volgend jaar aan de EK meedoen.” Gedreven buitenlanders: daar is een schreeuwende behoefte aan.

Aan Saskia Alusalu zal het niet liggen. Maar leuk is het niet altijd. In Tsjeljabinsk voelt ze zich soms eenzaam, zegt ze langs de rand van het ijs. „Absoluut. Ik heb nooit een team om me heen, ik kan niemand de schuld geven van een slechte race. Maar het is ook heel leerzaam: ik wil een onafhankelijke schaatsster worden.”

‘Thuis’ in Inzell heeft ze steun aan haar vriend, de Poolse sprinter Artur Was. In Tsjeljabinsk vond ze na een teleurstellende race in de kleedkamer vertroosting bij een paar balende Duitse rijdsters. „We hebben elkaar even omhelst en opgepept, dat was heel leuk”, glimlacht ze.

Ireen Wüst zal ze de komende jaren niet dwarsliggen, maar Alusalu geeft niet op. „Dit is mijn tweede seizoen bij de senioren, ik sta pas aan het begin van de weg. En ik ga vooruit, dat is het belangrijkste.”