Opinie

De kracht van Charlie

‘Das ist Walter.’ Met die leus ging in maart 1992 de stadsbevolking van Sarajevo de straat op om te protesteren tegen het voornemen van nationalistische groeperingen in Bosnië elkaar gewapenderhand de buit van het desintegrerende Joegoslavië te betwisten. Sarajevo was destijds een grote, multiculturele stad waarvan de inwoners dezelfde lauwe tolerantie en desinteresse voor zaken als etnische identiteit en ideologische overtuiging aan de dag legden als je nu in Parijs of Amsterdam aantreft. ‘Walter’ kwam uit een Joegoslavische partizanenfilm: Duitse nazi’s zoeken in het bezette Sarajevo vergeefs naar een verzetsstrijder van die naam, totdat hun commandant begrijpt dat Walter niet bestaat. „Sehen Sie diese Stadt?”, zegt hij, vanaf een heuvel uitkijkend over Sarajevo. „Das ist Walter.” Walter is de veronderstelde geest van stadse tolerantie en koppig verzet – daarom werd hij in 1992 het symbool van verzet tegen de dreigende confrontatie.

Met Charlie uit ‘Je suis Charlie’ is het net zo: een niet bestaande figuur wordt de symbolische uiting van verdraagzaamheid, afwijzing van geweld, en meer in het algemeen protest tegen de loop der dingen. De afgelopen dagen kon je steeds vaker lezen dat iemand zich ‘geen Charlie voelde’ omdat hijzelf óf geen affiniteit voelde met Charlie Hebdo, óf juist vond dat zijn mede-‘Charlies’ dat te weinig hadden.

Zulke kritiek getuigt van fundamenteel onbegrip voor de werking van de leus: in de objectieve betekenisloosheid ligt de kracht. Charlie bestaat niet, laat staan dat iemand Charlie zou zijn. Daarom juist is de slogan een effectieve symbolische getuigenis voor het behoud van belangrijke waarden: vrijheid, tolerantie, afkeer van geweld in het maatschappelijk en politiek debat. ‘Charlie’ is, net als Walter, een ideëel standpunt, geen programma.

In Frankrijk is de gevoeligheid voor ideeën beter ontwikkeld dan in Nederland. In Parijs gingen gisteren miljoenen met Charlie de straat op. In Nederland waren het er vorige week toch ook nog enkele tienduizenden. Degenen met wie ik zelf op de Dam stond, behoorden in meerderheid tot een sociaal-culturele bovenlaag: goed opgeleid, redelijk welvarend, nobele bedoelingen.

Maar misschien dat juist onze elite zich op het gebied van ideologie ernstige vragen moet stellen. Is de publieke moraal niet te ver doorgeschoten in de richting van economisch gewin en efficiency als kernwaarden? Wat is het antwoord als lieden in Raqqa, Moskou of Ankara democratische waarden als ridicule omslachtigheid afschilderen? Waarom hebben zo veel burgers het gevoel dat de publieke zaak hen niet aangaat? Kunnen media die op grond van een economische logica verwikkeld zijn in een race naar de bodem, nog hun democratische functie vervullen? Wat betekent het voor het publieke debat als op universiteiten de geesteswetenschappen worden afgeknepen?

In het licht van de uitdagingen waarvoor de Europese democratieën zich thans gesteld zien, lijken me dat geen gratuite vragen. Walter ging in 1992 binnen een maand ten onder in een burgeroorlog. Hopelijk is Charlie een beter lot beschoren.