Barbaren en spookschepen

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Barbaars – dat woord lag vorige week op ieders lippen. En omdat barbaars een internationaal woord is, hoorden we het in vele talen, uit de mond van onder meer politici, journalisten, commentatoren en kunstenaars. Sommige kranten zetten het in koeienletters op de voorpagina, alleen dat ene woord, bij de foto van de executie van de Parijse politieagent die gewond op straat ligt, handen naast zijn hoofd.

Barbaars is een bijvoeglijk naamwoord uit de buitencategorie. We gebruiken het voor handelingen die we buitengewoon onbeschaafd of wreed vinden. Zonder enig mededogen.

Oorspronkelijk betekende barbaar iets heel anders, namelijk: iemand die een onverstaanbare taal spreekt, die brabbelt. Barbaar is van oorsprong een Grieks woord. Aanvankelijk noemden de Grieken alle volkeren die geen Grieks spraken barbaroi. Vervolgens gebruikten ze dit woord vooral voor de Meden en de Perzen.

De Grieken raakten een paar keer verwikkeld in bloedige oorlogen met de Perzen. Hierdoor kreeg barbaar een betekenis die door de Romeinen werd overgenomen, namelijk: woeste, onbeschaafde lieden of volkeren.

In het Nederlands kennen we barbaar al sinds de Middeleeuwen. We vinden het vanaf de dertiende eeuw. Eerst werd het gebruikt voor ‘ongelovige, heiden’ in het algemeen, maar al snel bedoelde men er specifieke ‘heidenen’ mee, namelijk de bevolking van wat nu Algerije, Tunesië, Marokko en Libië heet. Die landstreek werd Barbarije genoemd en de islamitische inwoners Barbaren of Saracenen.

De Barbaren van Noord-Afrika waren in Europa lange tijd berucht als piraten en plunderaars. Veel wallen rond steden langs de Middellandse Zee werden gebouwd om zich tegen hun aanvallen te beschermen.

De oudste berichten over barbaren in Nederlandse kranten gaan bijna altijd over zeerovers. Zo lezen we in een krant uit 1666, toen de Nederlandse journalistiek nog maar een halve eeuw oud was: „Uit der Zee wert ons bericht dat de Fransen met de Barbaren een hevigh ghevecht gehadt hebben, de victory was aen de Francoysen gebleven.”

Door de gruwelijke gebeurtenissen in Frankrijk zouden we het bijna vergeten, maar er was nog een woord dat de afgelopen weken veel voorpagina’s haalde: spookschip. Tot voor kort bedoelden we hiermee: een onbemand op zee rondzwalkend schip. Een leeg schip dus, zonder (levende) bemanning of passagiers.

Onlangs heeft spookschip er echter een betekenis bijgekregen, vanwege een nieuwe, verderfelijke trend onder mensensmokkelaars. Het kan niemand zijn ontgaan: zij proppen grote, afgedankte schepen vol met vluchtelingen, en zetten het schip op de automatische piloot, waarna de bemanning het schip verlaat. Echt stuurloos kun je het schip niet noemen, maar het kan makkelijk een aanvaring veroorzaken of kapotslaan op een gevaarlijke kust. Heel even spraken de media over migrantenboten, en de NOS-correspondent in Italië lanceerde het woord wegwerpschip. Maar inmiddels zijn die neologismen links en rechts ingehaald door spookschip, dat in het Nederlands rondwaart vanaf het begin van de 19de eeuw.

Dat danken we overigens grotendeels aan een Britse kapitein, Frederick Marryat (1792-1848), die in 1838-1839 The Phantom Ship publiceerde. Marryat tekende hierin een verhaal op dat toen al langer onder zeelieden rondging: dat van De Vliegende Hollander. Dat schip is niet leeg, maar heeft een dode bemanning, die zwijgend haar taken vervult.