Zonder solidariteit verliest generatie Y

De huidige twintigers zijn opgevoed met het idee dat falen alleen jezelf is aan te rekenen, constateert Hugo Nutbey.

Ik heb iets gedaan wat ik altijd onmogelijk heb geacht: ik ben lid geworden van een vakbond. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik het niet deed uit solidariteit met de vakbeweging. Ik deed het omdat een straatverkoper mij vertelde dat ik recht had op belastingteruggave na gemaakte studiekosten. De vakbond zou dit voor mij terug eisen. Oftewel: het vakbondslidmaatschap was een goede deal.

Nu blijkt deze zaak ook een andere kant te hebben. Het blijkt me niet alleen, onverwachts, bijna twintig euro per maand te kosten, ik krijg ook elke week een uitnodiging voor een bondsvergadering binnen. De uitnodigingen staan me nog meer tegen dan de facturen. De gedachte alleen al vervult mij met afschuw: een troosteloos zaaltje, krentenbollen met kaas en een kleine verzameling verongelijkte mensen die samen boos zijn op de wereld. Wat heb ik, potentieel succesvolle twintiger, daar te zoeken? Klagen is iets voor losers.

Ik ben niet de enige die er zo over denkt. Mijn generatie legt weinig maatschappelijke betrokkenheid aan de dag, wij kennen geen bewegingen, protesteren nauwelijks en bij politieke partijen en vakbonden zijn we schaars. Wij menen geen collectief nodig te hebben, we redden onszelf wel.

De vraag of dit idee realistisch is, dringt zich echter op. De toekomst ziet er niet meer zo rooskleurig uit als toen we opgroeiden in de booming jaren negentig. De lonen dalen, vaste contracten verdwijnen en het vangnet van de verzorgingsstaat komt steeds lager te hangen. De garantie dat wij het wel zouden redden met wat hard werk en ambitie, blijkt niet te bestaan.

Toch maken wij geen aanstalten om onze krachten te bundelen en zo dit tij te keren. Een collectief blijft iets voor de ander.

Dat we moeite hebben met collectief gedrag is niet verwonderlijk. De generatie Y is dogmatisch individualistisch. We zijn opgegroeid in een tijd waarin ‘je hart volgen’ en ‘groot dromen’ het devies waren. Als we maar hard genoeg werken, zouden we alles kunnen bereiken. Zo is bij veel twintigers het idee ontstaan dat succes een keuze is en dat falen alleen jezelf is aan te rekenen.

Dit idee wordt verder gevoed door een jongerencultuur die draait op het tentoonspreiden van succesverhalen: het goede leven is the high life met veel geld, drank, drugs en vrije seks. Als jonge tv-kijker heb je als snel het idee dat je maar één echte verantwoordelijkheid hebt: alles uit je leven halen zolang het kan. Wanneer MTV en Facebook je voornaamste maatschappelijke referentiekaders zijn, dan lijkt ‘bottles poppen in da club’ een logischer tijdsbesteding dan actievoeren voor een vangnet voor de verliezers van het leven. In een hedonistische consumptiecultuur draait het om het vieren van succes, zeuren is een zwaktebod.

Onze fixatie op ons individuele geluk neemt echter het gevoel van collectief onbehagen niet weg. We voelen wel dat de wereld in ons nadeel verandert, maar we hebben niet de kanalen of de taal om dit gevoel te uiten.

Waar onze grootouders hun stem lieten horen via de omroep van hun respectievelijke zuil en onze ouders beweging als Provo voortbrachten, is het enige onderscheidende geluid van mijn generatie PowNed.

Verwacht van ons geen betogingen voor wereldvrede of taboedoorbrekende stunts; wij sturen Rutger Castricum naar bijstandtrekkers om ze te vertellen dat ze lui zijn en Nederland kapot maken. Omdat wij de morele argumenten die de verzorgingsstaat rechtvaardigen, zoals solidariteit en maatschappelijke verantwoordelijkheid, niet meer als noodzakelijk beschouwen, projecteren wij ons maatschappelijk ongenoegen op mensen die we hun teloorgang persoonlijk kunnen aanmeten. Of dit nou bankiers, politici of bijstandtrekkers zijn.

Dit ontslaat ons van de verantwoordelijkheid om deze waarden in praktijk te brengen. ‘Wij redden ons wel’ – en dus ligt de schuld bij hen die dit niet doen. Dit rechtvaardigt maatschappelijk desinteresse, maar beperkt onze inbreng in het publieke debat tot een ontevreden gemurmel.

Bij familiebedrijven is het een bekend verhaal: wat de grootvader opzet, wordt uitgebreid door de zoon en gaat ten onder door toedoen van de kleinzoon. De derde generatie plukt de vruchten van de onderneming, maar ontbeert de betrokkenheid in de dagelijkse zaken om deze succesvol voort te zetten. Als de kleinzoon ontdekt dat het personeel zich verwaarloosd voelt, het product ondermaats is en de bedrijfsvoering hapert, is het faillissement al onafwendbaar.

Hetzelfde dreigt te gebeuren met de verzorgingsstaat. Onze grootouders begonnen de basale voorzieningen, onze ouders bouwden het uit tot een stelsel van sociale vangnetten, studiefinancieringen en subsidies. Wij maken uitgebreid gebruik van deze voorzieningen, maar stellen nooit de fundamentele vragen over wat deze in de toekomst moet blijven verzorgen en hoe we dat willen bekostigen.

De twintiger van nu voelt zich, als sterk individu, verheven boven dit soort collectieve zorgen.

Tot de dag dat zijn zoveelste tijdelijke contract weer wordt opgezegd en hij met zijn uitgeklede WW-uitkering de sterk gestegen zorgpremie niet meer kan betalen. Dan is hij plotseling de loser die hij nooit had gedacht te worden – dan gaat hij pas klagen.