Zo belangrijk zijn we ook weer niet

Kennis van het zelf is niet het eindpunt van het mens zijn maar het begin, schrijft Floor Rusman.

Mijn grootvader had een druk leven. Hij werkte, zorgde samen met zijn vrouw voor zeven kinderen en zijn oudoom en -tante, en nam af en toe ook nog vluchtelingen in huis. Toen ik laatst een biografietje van hem las, geschreven door een tante, was ik getroffen door hoe hij in het leven stond. De wereld draaide niet om hem, hij stond juist in dienst van de wereld.

Hetzelfde gevoel kreeg ik bij het lezen van Eeuwelingen, een boek uit 2002 van journaliste Steffie van den Oord waarin zij 22 honderdplussers interviewde. Die gesprekken begonnen soms wat stroef, omdat de hoogbejaarden niet gewend waren over persoonlijke dingen te praten. „Dat dééd je gewoon niet”, zeiden vele geïnterviewden. Uit de 22 verhalen rijst een beeld op van individuen die vooral bezig waren hun plichten te vervullen en die doordrongen waren van hun nietigheid.

Vergelijk dat eens met nu. Voor mensen van mijn generatie is de notie van een leven als aaneenschakeling van plichten vreemd. Het leven draait om geluk en zelfverwerkelijking, niet om onderwerping aan anderen of aan de omstandigheden.

Waar komt dat grote verschil vandaan? Het zal er natuurlijk mee te maken hebben dat zoveel mensen tot de jaren zestig andere dingen aan hun hoofd hadden dan zelfontplooiing: genoeg verdienen om het gezin te eten te geven, dodelijke ziektes proberen te vermijden, et cetera.

In aanvulling hierop vond ik een interessante gedachte bij Foucault, die aan het einde van zijn leven ging schrijven over de ‘zorg voor het zelf’. In de Oudheid, met name bij de Grieken, werd zelfreflectie zeer belangrijk gevonden, schrijft Foucault. Wie een deugdzaam leven wilde leiden, moest om te beginnen zichzelf leren kennen. Dit vereiste aandacht en discipline: je moest achterhalen ‘waartoe je in staat was, wat het betekende een burger en hoofd van een huishouden te zijn, je moest weten wat je wel en niet moest vrezen, waarop je kon hopen en welke zaken er niet toe deden’. Tijdens het christendom verdween deze zorg voor het zelf, zegt Foucault. Men moest het zelf opgeven, want bezig zijn met jezelf was in strijd met Gods wil.

Die analyse komt overeen met de houding van mijn gelovige grootouders, en ook met de verandering die erna kwam. De generatie van mijn ouders, geboren vlak na de Tweede Wereldoorlog en volwassen geworden in een tijd van secularisering en individualisering, ging zich voor het eerst weer bezighouden met zichzelf. Maar tegelijk zag je in die generatie nog een grote gerichtheid op de maatschappij, en een schroom om de eigen gevoelens te etaleren.

De totale gerichtheid op het zelf is denk ik meer iets van de laatste decennia. Inmiddels is het voor veel jongeren niet meer schaamtevol om in therapie te zijn en zelfhulpboeken te lezen – iedereen doet het. Kijk naar de bestaande tijdschriften en je ziet waaraan behoefte is: er zijn enkele bladen over politiek en de wereld, en honderden over hoe je als individu je lichaam en geest perfect in vorm kunt krijgen.

Er is veel kritiek geleverd op het egocentrisme en ‘doorgeschoten individualisme’ van mijn generatie, maar ik denk dat die concentratie op het zelf positieve kanten heeft. Velen van ons weten al vroeg in ons leven wat onze zwaktes zijn en hoe we daarmee moeten omgaan. Ik kan me voorstellen dat mensen met borderline of een bipolaire stoornis vijftig jaar geleden nog overvallen werden door hun extreme buien, terwijl ze tegenwoordig beter weten waar die vandaan komen en hoe ze ze moeten beteugelen. En ook voor de mensen zonder DSM-stoornis geldt dat ze goed op de hoogte zijn van hun zwakke kanten. Ik heb verschillende vrienden horen verkondigen dat ze iets willen doen aan hun egocentrisme, jaloezie of vooringenomenheid – dit is goed nieuws, niet alleen voor hen, maar ook voor hun omgeving.

Het is belangrijk jezelf te kennen – de Grieken hielden ook al uitgebreide dagboeken bij, schrijft Foucault. Tot zover is er dus niets aan de hand. Het gaat pas mis wanneer de zelfreflectie ontaardt in zelfobsessie, egocentrisme en een onvermogen jezelf te relativeren.

Foucault maakt een onderscheid tussen de klassieke ‘cultuur van het zelf’ en de moderne ‘cultus van het zelf’. Ik weet niet precies wat hij met dat laatste bedoelde – hij deed de uitspraak in een interview in 1983 – maar ik zie hierbij realityprogramma’s, talkshows en interviews voor me waarin mensen continu over zichzelf leuteren zonder iets te zeggen wat het particuliere overstijgt. ‘Wat ik zeg is belangrijk, want ik ben degene die het zegt’, lijkt vaak de gedachte te zijn.

Zelfkennis was volgens Foucault voor de Grieken en Romeinen nodig om hun manier van handelen te bepalen en hun vrijheid op de juiste manier uit te oefenen. Maar hiervoor was ook iets anders vereist, namelijk interesse voor de wereld. Kennis van het zelf was niet het eindpunt van het mens zijn, maar het begin. Daarnaast waren ook zelfbeheersing en bescheidenheid belangrijk.

Als je kijkt naar de hoeveelheid blogs, boeken en artikelen die twintigers en dertigers over zichzelf schrijven kun je concluderen dat er met die bescheidenheid iets is misgegaan. Het is fijn dat we niet meer leven in een wereld waarin het individu niets voorstelde, maar we kunnen wel wat meer zelfrelativering gebruiken.

Ter inspiratie een citaat van een van de honderdjarigen – duidelijk iemand uit een andere tijd: „Wat heeft een grassprietje, hier op mijn gazon, nou voor bestaan? Het groeit vandaag, en straks wordt het alweer opgegraasd, of weggemaaid. Precies zo is een mensenleven.’”