Zeg eens: ik heb het verprutst

Het is een wereldwijde hype: op een podium vertellen over je eigen carrièreblunders. Slaat dat hier ook aan?

Foto Fionn McCann

Raúl Cardós is een gerenommeerd reclamemaker uit Mexico. Een paar jaar terug kreeg hij een telefoontje van een bekende marketingschool uit Barcelona. Ze wilden samen met hem een dependance in Mexico-Stad oprichten.

Cardós zei ja. Hij huurde voor de Barcelonezen een locatie, zocht docenten en startte een reclamecampagne.

Een week voor het schooljaar van start ging, lieten zijn Spaanse partners weten dat Cardós slechts 33 procent van de winst zou krijgen – het grootste deel van de inkomsten was voor henzelf. Hij had gerekend op 50 procent. Pas tóén besefte Cardós dat hij geen document had getekend waarin zwart op wit stond dat de winst eerlijk zou worden gedeeld. Dom.

Cardós is een van de ondernemers die afgelopen jaar hun verhaal vertelden tijdens een FuckUp Night. Het is een persoonlijke favoriet van Yannick Kwik (25), coördinator van de wereldwijd georganiseerde ‘faalavonden’. FuckUp Nights, heten ze. Het concept: netwerkborrels waar sprekers getuigen over zakelijke stommiteiten. De FuckUp Night ontstond twee jaar geleden in Mexico, onder vrienden die elkaar over carrièreblunders vertelden, en is intussen een internationale hype.

Vorig jaar werden er in 26 landen avonden georganiseerd. Meer dan 100.000 mensen luisterden met een biertje in de hand naar ondernemers die hun familiebedrijf naar de knoppen hielpen of zichzelf in de schulden werkten. Sinds kort worden ook FuckUp Nights in Nederland georganiseerd.

Iedereen die een mailtje stuurt mag naar eigen inzicht een avond organiseren, zegt Kwik, maar er zijn basisregels die organisatoren moeten volgen als ze dezelfde naam willen gebruiken. Zo mogen sprekers maximaal zeven minuten aan het woord zijn en moeten presentaties gaan over zakelijk falen. Kwik: „Persoonlijk falen of je vrouw die je bedroog, mogen aan bod komen, maar niet de kern van het praatje zijn.” Er mag ook geen entree worden gevraagd, en er moeten minimaal drie sprekers zijn.

In Amsterdam organiseerde online marketeer Bas Pastoors (26) in december de eerste Nederlandse faalavond. „Ik zit in een collectief van jonge ondernemers waar geregeld gepraat wordt over dingen die goed én minder goed gaan.” De avond was kleinschalig: kennissen van de organisatoren waren aan het woord en er waren slecht 35 luisteraars. Kwik: „De eerste keer is het moeilijk om sprekers te vinden, de tweede keer al gemakkelijker en vanaf de derde avond bieden sprekers zichzelf aan en kun je wel drie avonden vullen. Zo gaat het overal.”

Past het wel bij Nederlanders?

Psycholoog Arjan van Dam, die het boek De kunst van het falen schreef, vraagt zich af of het in Nederland zo’n vaart zal lopen als in Mexico – daar worden de avonden momenteel in 25 steden georganiseerd. Van Dam: „Je spreekt alleen op zo’n avond als het na je fout weer goed met je gaat.” Raúl Cardós heeft bijvoorbeeld onder eigen naam inmiddels de succesvolle marketingschool La Academia de Creatividad Mexicana. Van Dam: „Het zijn eigenlijk presentaties waarin mensen zeggen ‘door te falen ben ik groot geworden’.”

Maar net dat soort verhalen vertellen Nederlanders volgens Van Dam niet graag. „Nederland heeft een van de meest ‘vrouwelijke’ culturen van de wereld, dat wil zeggen dat mensen niet met hun succes te koop lopen. Uitkomen voor masculiene waarden als competitiedrang en succes wordt minder geaccepteerd dan in de Mexicaanse samenleving.” Gelijkaardige Nederlandse initiatieven zoals het Festival of Failures (georganiseerd door radiozender BNR) werden geen hype in Nederland.

Toch wordt dit soort anekdotes wel gewaardeerd, merkt Van Dam. „Uit een onderzoek van TNS Nipo blijkt dat een ruime meerderheid van de Nederlanders het gevoel heeft te leven in een meritocratie, een samenleving waarin je succes bepaalt hoe waardevol je bent.” Maar als je Nederlanders vraagt wat ze daarvan vinden, zegt Van Dam, blijkt maar 10 procent van de mensen dat leuk te vinden. Veel mensen zien liever „een minder neoliberale” maatschappij. „Horen dat je het kan verkloten, maar dat het toch nog goed kan komen, voelt dus voor velen als een verademing.”

‘De 5.000 euro die ik had geïnvesteerd, heb ik niet terugverdiend’

Brian Bibi (38) is freelance multimediaontwerper en regisseur. Hij is spreker op de komende Amsterdamse FuckUp Night.

„Ergens in 2006 trad een band op waar ik groot van fan ben en normaal gesproken sowieso naartoe zou gaan. Maar die avond paste ik. Ik wilde per se dat mijn website online ging. Dat jaar had ik besloten een online T-shirtwinkel te beginnen, beebzteez. Mijn zelf ontworpen shirts verkochten eerder redelijk goed in ‘offline’ winkels, dus het leek een prima plan. Ik deed alles zelf: bouwde de site, coördineerde sociale media, deed de marketing. Te veel taken voor één persoon.

„Op dat moment dacht ik dat ik plezier op korte termijn, zoals concerten bijwonen, moest inruilen voor winst op lange termijn. Na anderhalf jaar bleek de energie die ik er instak nog steeds onevenredig met de winst die ik eruit haalde. Zelfs de 5.000 euro die ik had geïnvesteerd, heb ik niet terugverdiend. Achteraf gezien heb ik basale fouten gemaakt; ik had bijvoorbeeld geen onderzoek gedaan naar de andere succesvolle spelers op de markt en had geen goede marketingstrategie. Ik zou nooit meer een bedrijfje als beebzteez oprichten, maar beschouw het niet echt als een mislukking. Ik geloof dat als je jarenlang met een idee rondloopt waar je vervolgens niets mee doet, dat je leven ook negatief beïnvloedt.”

‘Een fiasco, schreef The Guardian. Dat ging over mijn campagne’

Cheryl D. Miller (48) is oprichter van het Digital Leadership Instituut en sprak op de FuckUp Night in Brussel afgelopen december.

„In 2012 kopte The Guardian: ‘Science: It’s a girl thing. A viral fiasco’. Dat ging over mijn campagne. Het was niet de enige krant die stevige kritiek gaf. Toen de Europese Commissie drie jaar geleden meisjes wilde stimuleren om een wetenschappelijke of technische studierichting te volgen, werd ik ingeschakeld vanwege mijn ervaring. Samen met een creatief ontwerpbureau koos ik de campagnetitel ‘Science: It’s a girl thing’. Ik besloot ‘meisjesachtige’ acties te ondernemen en zuurstokroze te gebruiken in de publiciteit. Vrouwelijke pubers waren onze doelgroep, uit eerdere projecten wist ik dat dit ze zou aanspreken.

„Ik organiseerde workshops, en verzon een lied en dans voor een flashmob, die uitgevoerd zou worden in Europese steden. De ‘fuck up’ begon toen het ontwerpbureau besloot alvast een ‘teaservideo’ online te zetten. Normaal gesproken zou er een videoclip gemaakt worden met beelden van de echte flashmob. De teaser ging viral voor ik hem zelf goed had bekeken. Je ziet meisjes dansen op een geseksualiseerde en voor vrouwen beledigende manier, iets wat niet in de oorspronkelijke campagne zat. Online barstte de bom, over de stereotypering van vrouwen, mannen en wetenschappers. Die teaser was het resultaat van een blunderketen; ik had de ‘sfeer’ van de campagne meebedacht en had beter moeten opletten. Ook het feit dat bij de Europese Commissie zoveel mensen hun zegje willen doen, heeft heel ongunstig gewerkt. Ik besef nu hoe dun de grens is tussen goede marketing en stereotypering en hoe moeilijk het is om rond een onderwerp als dit een campagne te maken.”