Woorden zijn goed. Maar wat ga je doen?

Wanneer je ergens niet verantwoordelijk voor bent, betekent dat niet dat je geen verantwoordelijkheid hoeft te nemen, schrijft Bas Heijne. Als burger, als moslim, als Nederlander. En dat houdt niet op bij ‘Je suis Charlie’.

typografie tjarko van der pol cartoon hajo
typografie tjarko van der pol cartoon hajo

Terwijl Nederland zich ontfermde over de verschrikkingen van Parijs, op een manier die vaak roerend en aandoenlijk was, maar hier en daar toch ook weer tenenkrommend ijdel (geen enkele terreurdreiging lijkt opgewassen tegen ons nationale ego), dwaalden mijn gedachten af naar een Hollandse tragedie die nauwelijks indruk maakte en alweer bijna vergeten is: de zelfmoord van de 19-jarige Maastrichtenaar Sultan Berzel.

Hij volgde een mbo-opleiding Toerisme, radicaliseerde vorig jaar in een paar maanden, schopte tijdens een uitje van school woedend een kunstwerk waarop Mohammed stond afgebeeld aan flarden, werd voor drie maanden van school gestuurd en verdween afgelopen september naar Syrië. Eind vorig maand kwam zijn afscheidsvideo boven water. Daarin riep hij, inmiddels Abu Abdullah al Hollandi geheten, in aarzelende zinnen en met Limburgse tongval, moslims in Nederland op in het Midden-Oosten te komen strijden en ook aanslagen te plegen. „De profeet neemt afstand van elke moslim die leeft tussen de ongelovigen.” In november vorig jaar pleegde hij een zelfmoordaanslag in Bagdad, waarbij zo’n twintig doden vielen en veel gewonden.

De vader van Sultan gaf nog een ongelukkig interview aan de Volkskrant, waarin hij de trieste Werdegang van zijn zoon als een religieuze lotsbestemming voorstelde: „Wat moet ik zeggen? Mijn zoon heeft al gesproken. Dank Allah, mijn zoon is nu in het paradijs.” Later sprak hij zich duidelijker uit tegen het videotestament van Sultan. Hij noemde het „de grootste hersenspoeling ooit”.

En toen werd het stil.

Wie de afscheidsbeelden van Sultan bekijkt, zal moeite hebben in hem een geharde terrorist te zien. De fragiele, bebrilde jongen maakt een onzekere indruk, het gebruikelijke jihadistentaaltje klinkt onwennig uit zijn mond. Hij lijkt eerder slachtoffer dan dader – en toch heeft hij de dood van bijna twee keer zoveel mensen op zijn geweten als de aanslagplegers in Parijs. Alleen waren het geen westerlingen, geen journalisten, maar politiemannen in Irak. Moslims.

Er was geen protest, geen samenkomst, geen beraad, nauwelijks discussie. Het college van Maastricht, waar Sultan studeerde, reageerde niet, het bestuur van de moskee die Sultan vaak bezocht, zweeg in alle talen, de gemeente Maastricht verwees naar de coördinator terrorismebestrijding. Als er een gemeenschap was, dan liep die met een zo’n groot mogelijke boog om de zaak Sultan Berzel heen.

Wat een schril contrast met de reacties op het geweld in Parijs! Volgens jongerenwerker en publicist Ibrahim Wijbenga, die vindt dat Sultan als kanonnenvoer is gebruikt door geharde IS-aanhangers, is het het zoveelste bewijs dat de Nederlandse moslimgemeenschap de ogen sluit voor religieus extremisme in de eigen omgeving. In De Telegraaf schreef hij deze week: „Ook hier zullen IS-fanaten toeslaan. De weerbaarheid vanuit de islamitische gemeenschap blijft onverminderd zwak, terwijl haatpredikers en opjutters als Van de Ven en Abu Hafs, ook bekend als Fouad el Bouch, nog steeds de kans krijgen om hun IS-ideologie ongestoord te verkondigen.”

Weerbaarheid is een belangrijk woord. Als het om islamitisch terrorisme en de brute onverdraagzaamheid van radicalen gaat, werd er door veel moslims in het verleden vaak vooral gepikeerd gereageerd: waarom zou ik me moeten vrijpleiten, waarom zou ik afstand moeten nemen van daden waarmee ik me op geen enkele manier associeer? Moeten blanke westerlingen zich vrijpleiten van de gruweldaden van Breivik? (Waarbij vergeten wordt dat juist dàt, post-Breivik, wel degelijk gevraagd werd van Geert Wilders en andere „islamcritici”, die net als Breivik ervan overtuigd zijn dat we in oorlog met de islam zijn).

Ik heb die defensieve mantra altijd een beetje ergerlijk gevonden, te gemakkelijk. Ik snap dat je er genoeg van krijgt steeds opnieuw in de beklaagdenbank gezet te worden voor iets waar je part noch deel aan hebt. En ook het giftige geblaas van Wilders helpt niet.

Maar Wijbenga doelt op iets anders wanneer hij over de gebrekkige weerbaarheid van de „moslimgemeenschap” schrijft. De gruwelijke ontsporing van Sultan Berzel roept vragen op, waar je niet omheen kunt blijven lopen – dat geldt overigens voor iedereen. Wanneer je ergens niet verantwoordelijk voor bent, betekent dat nog niet dat je geen verantwoordelijkheid hoeft te nemen. Als burger, als moslim, als Nederlander.

De jonge moslim Mosafa Hilali, initiatiefnemer van de Facebookpagina ‘Niet mijn islam’, beschrijft het dilemma mooi op de website van de Volkskrant: „Dit legt de spagaat bloot waar de meerderheid in zit, inclusief ikzelf. Velen nemen afstand van jihadisten en radicalisering in persoonlijke gesprekken, op het werk, in de huiskamer. Maar als je dat publiekelijk doet, lijkt het net of je jezelf moet vrijpleiten.”

Die spagaat lijkt nu snel te verdwijnen. Op de genoemde Facebookpagina is naast bijval ook de voorspelbare defensieve kritiek te vinden, maar het initiatief laat zien dat het bloedbad in Parijs het groeiende besef versterkt dat de islam zelf verdedigd moet worden tegen het religieuze gangsterdom van jihadisten. Het gaat allang niet meer om afstand nemen, afkeuren, veroordelen, enzovoort, het gaat om actie ondernemen, het beschermen van wat je dierbaar is tegen een nietsontziende geweldscultus, die uiteindelijk maar één enkel einddoel heeft: de dood. Betekenis wordt niet gezocht in het geloof, laat staan in spiritualiteit of zingeving, maar louter in geweld. Vandaar dat er een dunne lijn loopt tussen het gewelddadige nihilisme dat de zogenaamde Mocro-wars laten zien en de bloeddorstige bijval van jonge Nederlandse Syriëgangers na de slachtpartij in Parijs.

Het gaat om een radicaal soort vervreemding, die onder jongeren wijder verbreid is dan onder het handjevol overtuigde jihadisten alleen. Terwijl afgelopen woensdag de pleinen in Parijs en elders in Frankrijk en Europa volliepen met mensen die hun afschuw over de aanslag op het vrije woord kwamen tonen, weerklonk in het parallelle universum van de jihadisten en hun sympathisanten een klaterend Twitter-applaus op voor de ‘helden’ die de Profeet gewroken hadden.

In een lange, onmachtige monoloog op Facebook van een Nederlands-Marokkaanse radicaal kwam het allemaal weer voorbij – erg wat er gebeurd was, echt man, maar wat ‘Europa’ deed was veel erger, dode Palestijnse kinderen, door het westen afgeslachte broeders, kankerzionisten, enzovoort, een eindeloze stroom bekende grieven en persoonlijke krenkingen, en een per minuut oplopende dreigingsgraad – en aan het eind van de monoloog waren de twee aanslagplegers ineens moedige ‘strijders’ en hadden de cartoonisten de Profeet en Allah maar niet moeten beledigen. Als afsluiting: dreiging met komend geweld.

Dat er een verschil is tussen islam en islamisme is inmiddels gemeengoed. Onderscheid tussen vreedzame moslims en radicalen werd de afgelopen week zelfs door Marine le Pen gemaakt – alleen Wilders blijft op dat vlak hardleers. Maar de uitzinnige geweldscultus van islamitische jihadisten zoals de twee mannen die de redactie van Charlie Hebdo onder vuur namen, is daarmee niet verklaard – en ook niet wat er is gebeurd in het hoofd van de 19-jarige student Toerisme Sultan Berzel. Tegen zijn vader zei hij, nadat hij van school was gestuurd: „Je ziet toch dat wij hier niet welkom zijn?”

Het verklaart ook niet de motieven van de groep jihadisten die zijn daad toejuichen in de sociale media, die zijn zelfmoordaanslag niet beschouwen als gruwelijke ontsporing, maar als een vervulling. Het is het hart der duisternis – en het bevindt zich midden in onze samenleving.

In Nederland gaat de discussie nu vooral over de vrijheid van meningsuiting, of ‘we’ nu zelfcensuur gaan plegen uit angst voor geweld, waar we voor moeten staan – de gebeurtenissen in Parijs stellen ons in staat al onze idealen op de gebied, in de jaren na 2004 een beetje dof geworden, opnieuw op te poetsen.

Dat is mooi. De woorden zijn goed, maar welke daden horen erbij? Is je niet bang laten maken afdoende? Oorlog? Hoe dan? En hoe eer je nagedachtenis van de slachtoffers? Door je ‘solidair’ met hen te verklaren of door de aanloop tot hun ogenschijnlijk krankzinnige dood stevig onder de loep te nemen?

En wat is weerbaarheid? Wat mij betreft is het de moed om zo scherp mogelijk naar jezelf en de eigen samenleving te kijken – juist in tijden van rampspoed. Dan gaat het al snel niet meer om het recht om de Profeet te tekenen of het hysterische machismo van de jihadisten tot een lachertje te maken (wat Charlie Hebdo vaak uiterst komisch deed), maar om de vraag wat een leefbare samenleving zou moeten zijn. Dat is een stuk lastiger dan uiting geven aan onze verbijstering, verdriet en geschoktheid. Die open, pluriforme samenleving van ons is geen veilige haven, die nu van buitenaf bedreigd wordt – het is gewoon vreselijk hard werken om hem niet van binnenuit te laten desintegreren. En het zal de komende jaren alleen maar zwaarder worden, daar hoef je geen visionair voor te zijn.

Er is al een aanslag gepleegd. De gruwelijke weg die Maastrichtenaar Sultan Berzel is gegaan, zijn radicalisering, zijn dodelijke aanslag, zijn tragische zelfvernietiging, het gaat wel degelijk alle moslims aan – net als alle Nederlanders. <<