Wat heeft die lach te betekenen?

Foto Thinkstock

Kleine overpeinzingen vandaag, over eigenaardigheden in het menselijk waarnemingsvermogen, het inlevingsvermogen en nog zo wat. Een soort divandenken, ingegeven door de luchtige plaatjes die in de loop van de week over het scherm gleden. Vrolijke dierenfoto’s, foto’s van sportlieden die een record braken. Het soort plaatjes dat de BBC op haar website onder het gewone nieuws zet om dat wat lichter verteerbaar te maken.

Maar eerst vragen we ons af of honden zich schuldig kunnen voelen. Of preciezer gezegd: hoe we de onmiskenbaar schuldige blik van een welopgevoede hond moeten interpreteren die een schrobbering krijgt omdat hij iets heeft gedaan dat he-le-maal niet mag: vlees van de tafel getrokken, een vaas bloemen omgegooid, damesschoentjes kapot gebeten.

Die hond vertoont ‘the guilty look’, hij bekent schuld. Hij kijkt weg van de berispende baas, laat oren en staart zakken, gaat liggen, sluipt de kamer uit, enzovoort. Sommige honden lijken zelfs om vergeving te smeken door steeds opnieuw een poot te geven. Er zijn wel tien van dit soort kenmerken, maar meestal worden er maar een paar tegelijk in stelling gebracht. Bijna alle hondebazen herkennen de signalen en bijna allemaal denken ze vertederd: mooi, hij voelt zich schuldig.

Maar voelt de hond zich ook werkelijk schuldig? Dat is uitgezocht door Alexandra Horowitz van het Barnard College in New York, ze schreef er over in Behavioural Processes (2009). En natuurlijk begon ze haar beschouwing met de opmerking dat we nooit echt zullen weten wat de hond denkt en voelt omdat we niet in zijn hoofd kunnen kijken. Maar ze bedacht een foef om aan te tonen hoe voorzichtig we moeten zijn met het toekennen van een waardeoordeel aan de schuldige houding.

Die was simpel genoeg. De hondebaas legde een hondekoekje of andere lekkernij in de kamer, zei nadrukkelijk dat het niet mocht worden opgegeten (‘afblijven!’) en ging de kamer uit. De hond bleef achter met een neutrale wetenschapper die het lekkere hapje prompt naar voren schoof (‘toe maar’). Als de hond niet binnen 10 seconden toehapte stopte de wetenschapper het koekje in zijn zak. Daarna kwam de hondebaas weer binnen en kreeg die in de helft van de gevallen de juiste toedracht te horen. Wat er toe leidde dat de hondebaas de hond soms ten onrechte berispte en soms ten onrechte niet.

En wat bleek: het was vooral het standje dat de ‘guilty look’ opwekte, niet de ongehoorzaamheid zelf. De hond, denkt Horowitz, reageert primair op de boze stem en heeft geleerd wat-ie moet doen om te voorkomen dat die stem nog bozer wordt.

Leve de wetenschap, denkt de buitenstaander. Dat hebben we ook weer opgelost. We weten nu dat het niet per se vast staat dat de hond zich schuldig voelt als-ie schuldig kijkt. Of wisten we dat al? Je zou je kunnen afvragen waarom Horowitz niet vaststelt dat honden zich gewoon makkelijk een schuldgevoel laten aanpraten.

Wel, we kunnen ook niet in het hoofd van Horowitz kijken, natuurlijk, maar er is wel een slag naar te slaan: het is de angst voor antropomorfismen die veel gedragsbiologen nog steeds in zijn greep heeft. Tot ver in de negentiende eeuw hadden geleerden er geen moeite mee paarden altijd ‘fier’ en hyena’s altijd ‘laf’ te noemen. Een hond was ‘trouw’ en ‘wakker’, een vos ‘sluw’. Toen men zich opeens realiseerde dat het grote flauwekul was, ontstond een reactie die op zijn zachtst gezegd enigszins is doorgeschoten. In een krampachtig quasi-wetenschappelijk streven om voortaan elk waardeoordeel buiten de deur te houden zijn dieren een tijd lang beschouwd als black-boxes, niet meer dan klompen spieren, zenuwen en zintuigen die meer of minder hevig op prikkels reageerden, wat de klompen al of niet ten goede kwam.

Daarop is, goddank, weer een reactie gekomen. Inmiddels wordt erkend dat mensen die in langdurige, dagelijkse omgang met kat of hond vertrouwd zijn geraakt met het doen en laten van de dieren met grote trefzekerheid kunnen vaststellen wanneer die vrolijk, angstig, geïrriteerd of zelfs jaloers zijn. Maar onder wetenschappers sluimert nog steeds de vrees voor verkeerde interpretaties en andere uitglijders. Niemand kan absoluut uitsluiten dat dieren emoties hebben die wij mensen helemaal niet kennen. Een paar van ónze secundaire emoties hebben ze zeker niet. Daarom is Horowitz zo behoedzaam.

Dit soort divangedachten welden op toen de BBC de afgelopen dagen, onder veel nieuws dat lang zo leuk niet was, plaatjes monteerde van een lachende kameel en een of andere sporter die iets unieks had gepresteerd. Zo’n sporter, dat is bekend, reageert dan niet met een brede, vermoeide lach en een vrolijke zwaai naar zijn moeder op de tribune, nee hij balt de vuisten en trekt een gezicht alsof hij iemand op gaat vreten. Dat is de adrenaline, weten we, en we weten ook dat-ie in werkelijkheid toch heel blij is. Dertig jaar geleden ging het nog anders maar sporters hebben geleerd dat het publiek enthousiaster reageert als ze doen alsof ze een toeval nabij zijn. Het is een wisselwerking die Alexandra Horowitz bekend moet voorkomen. We hebben het leren begrijpen.

Maar die lachende kamelen, paarden en ezels die we regelmatig ter verstrooiing krijgen voorgeschoteld? Zouden er echt nog mensen zijn die denken dat zo’n willekeurig tussengezicht op blijheid wijst? Of ligt het aan fotoredacteuren die denken dat mensen dat denken? Of is de grimas as such aanstekelijk? Lachen om een tussengezicht? Hoe werkt dit toch?