Schrappen ‘tien’ helpt de losers

De tien kilometer wordt over twee jaar van het EK allround gehaald. Maar is dat wel de manier om de sport populairder te maken?

Links: Sven Kramer (voorop) traint met vriend en ploeggenootWouter Olde Heuvel, zijn belangrijkste concurrent bij het EK allround in Tsjeljabinsk. Rechts: team Continu , met in laatste positieIreen Wüst.
Links: Sven Kramer (voorop) traint met vriend en ploeggenootWouter Olde Heuvel, zijn belangrijkste concurrent bij het EK allround in Tsjeljabinsk. Rechts: team Continu , met in laatste positieIreen Wüst. Foto’s SCS/Huub Snoep

Als alles volgens plan verloopt wordt Sven Kramer zondag in de Oeral voor de zevende keer Europees kampioen allround. En volgend jaar, in Minsk, voor de achtste keer. Daarna wordt voorspellen lastiger: niet alleen omdat Kramer dan dertig is, maar vooral omdat de tien kilometer niet meer wordt verreden. „Jammer, dan wordt het verkapt sprinten”, zegt Kramer in Tsjeljabinsk. „Het wordt leuk – meer concurrentie”, denkt Jochem Uytdehaage. „Het is geen weggeefquiz”, foetert Rintje Ritsma, net als Kramer zesvoudig Europees kampioen. „Buitenlandse schaatsers zijn te lui om te trainen.”

Langebaanschaatsen moet spannender worden, vindt de internationale schaatsunie (ISU): aantrekkelijker voor meer rijders in meer landen, maar ook voor het publiek, sponsors en de televisie. De laatste 23 jaar wonnen de Nederlanders liefst twintig keer de Europese allroundtitel. Alleen Dimitri Sjepel (2001), Enrico Fabris (2006) en Ivan Skobrev (2011) lagen een keer dwars. En de dreun van het oranjefeest van Sotsji – 23 langebaanmedailles – galmt een jaar later nog altijd na. Het grootste slachtoffer is de tien kilometer, die op het EK wordt vervangen door een 1.000 meter of een 3.000 meter. Dat besluit valt later dit jaar.

Romantisch

Het betekent in elk geval het einde van een tijdperk. De EK’s begonnen in 1891 in Hamburg; bij de editie van 1896, in dezelfde stad, werd de tien kilometer voor het eerst gereden. De Duitser Julius Seyler won, in exact twintig minuten.

Ach, wees niet te romantisch, zegt Uytdehaage, Europees kampioen in 2002 en 2005. „Vroeger schreven we brieven, nu e-mails. Ik vind het prima dat we iets nieuws gaan doen. De verschillen zullen kleiner worden, omdat de tien kilometer een heel specifieke afstand is. Je krijgt ook een veel vlotter programma. Maar dan moet er wel een 3.000 meter bij komen, niet een 1.000 meter. Anders wordt het een sprintvierkamp. Die 3.000 meter is een van de mooiste afstanden.”

Hij herinnert zich zijn „laatste goede tien kilometer”, op het EK allround van 2005 in Thialf. Hij hield uiteindelijk 2,5 seconde over op een piepjonge Sven Kramer. „Maar daarna heb je door de overheersing van Sven nauwelijks nog spannende EK’s gehad. Zo goed is hij.”

Circusnummer

Ritsma vindt die dominantie geen enkele reden om de afstand dan maar te schrappen. Hij ziet het opofferen van ‘de tien’ als een cosmetische ingreep. „Je kunt er een circusnummer van maken, maar dan ga je zó ver weg van de basis van de sport. Het is de verkeerde volgorde”, zegt de oud-schaatser.

Ritsma: „Omdat buitenlandse schaatsers niet meer mee kunnen, gaat de ISU allemaal dingen verzinnen. Jongens, daar is topsport niet voor bedoeld. Hiermee kom je de losers tegemoet.”

Hij herinnert zich heroïsche gevechten, vaak in de buitenlucht, met buitenlandse tegenstanders van formaat. De Rus Sjepel, bijvoorbeeld, maar ook de Italiaan Roberto Sighel en de Noor Johan Olav Koss. „Natuurlijk zaten de stadions toen ook niet altijd vol, maar met een nieuwe opzet komt er geen kop meer dan nu.”

Ritsma vraagt zich af of de sport niet te ver van zijn roots af is geraakt. „Door al die hallen is het heel kostbaar geworden. Wat we missen is ontwikkeling van de sport. Je kunt overal peperdure hallen neerzetten, maar wat als niemand daar gebruik van maakt? De ISU moet met de nationale bonden gaan praten, jonge mensen stimuleren om te gaan schaatsen.”

Er zijn ook twijfelaars. Kies je voor het pure schaatsen of voor het publiek? Koen Verweij, ook aan de start in Tsjeljabinsk: „Aan de ene kant ben ik old school: allrounden is een combinatie van sprint en lange afstanden. Maar je moet ook aan de toekomst denken. Een drie kilometer is op televisie een stuk mooier dan een tien. Maar ik zeg niet dat het beter is.”

Ontwikkelingswerk

Marnix Wieberdink, oprichter van de Kia Schaatsacademie in Inzell, houdt zich al elf jaar bezig met ‘ontwikkelingswerk’ in het internationale schaatsen. Hij denkt dat de ISU de verkeerde volgorde hanteert. „Sleutelen aan het format” moet volgens hem een van de laatste prioriteiten van de ISU zijn. „Dat is hetzelfde als potjes en pannetjes in je huis verschuiven omdat het dak lekt. Je moet het dak repareren.”

Volgens Wieberdink moet het schaatsen eerst aantrekkelijk worden voor jongeren, voor televisiekijkers en voor sponsors. „Zorg er eerst voor dat het schaatsen op televisie komt in landen waar geschaatst wordt en geschaatst werd. Mensen komen niet achter hun computers vandaan als ze de sport niet kennen. Als het schaatsen in Noorwegen weer goed op tv is, komen de sponsors ook weer. En die brengen geld, waardoor je sport weer kan groeien.”

De volgende stap is volgens hem sfeer creëren tijdens de grote toernooien, zoals dit weekeinde in schaatsstad Tsjeljabinsk, waar duizenden Russische fans vergeefs naar een kaartje zochten. „Zorg ervoor dat die toernooien niet voor lege tribunes wordt gereden. Hoe wil je anders jongeren trekken, of nationale sponsors?”

Een derde pijler is volgens Wieberdink het opleiden van sporters en coaches in potentiële schaatslanden. Op zijn academie in Inzell rijden al schaatsers uit landen als Denemarken, Estland en Polen. „Wij willen nu een aantal Roemeense coaches gaan opleiden. Schaatskennis is er niet veel in het buitenland. Niemand traint zo hard als de schaatsers in Mongolië. Maar je moet wel weten wat je doet. Pas als de basis van het internationale schaatsen voor elkaar hebt, dan kun je gaan nadenken over het format.”