Wij zijn allemaal Charlie. Maar wat vindt Charlie eigenlijk?

Ik ben geen slachtoffer

Ik stond gisteren samen met 17.000 andere mensen op de Dam in Amsterdam met een pen in de hand. En toch voelde ik me nog niet meteen verbonden met de rest. Er stonden mensen die boos of bang waren. Er waren voorstanders van sterke repressie van mensen met een radicaal gedachtegoed. Er waren mensen die juist verzoenende taal bezigden. En er waren mensen die van alles en iedereen de schuld gaven van wat er gebeurd was.

Ik stond daar, om te zoeken wat mijn standpunt is. Ik wil geen repressie, maar ook niet doodknuffelen of het probleem negeren. De moeilijke omgang die mensen hebben met satire en met radicale elementen draait om een gevoel van slachtofferschap , het ‘Calimerocomplex’. Mensen die daar aan leiden doen alles om serieus genomen te worden. Echt alles.

Jihadisten vertrekken naar oorlogsgebieden omdat ze zich slachtoffer voelen van een westers systeem dat hen uitsluit of achterstelt. Lokale jihadisten zeggen slachtoffer te zijn van een repressief regime of westerse overheersing. Als een slachtoffer zijn pijn niet goed verwerkt, dan kan hij vroeg of laat zelf het misbruik dat hem is aangedaan plegen als dader. Gericht tegen een idee of een groep, niet tegen de daadwerkelijke dader.

Naast jihadisten komen we nieuwe, al dan niet vermeende, slachtoffers tegen. Het vrije woord, de humor, onze westelijke waarden zijn zodanig onderdeel van onze identiteit dat sommige mensen gekwetst raken, en zich in hun verdriet slachtoffer gaan voelen.

Op de Dam, met mijn pen in de hand, besloot ik dat ik boos ben, ik ben verdrietig, maar ik zal geen slachtoffer zijn; ik ben geen slachtoffer. En ik moet er alles aan doen om te voorkomen dat anderen zich slachtoffer gaan voelen door hoe ik hen bejegen.

Waak toch voor vuile taal

Ik ben geen journalist of cartoonist. Geen schrijver of filmmaker. Ik ben ook geen politicus. Toch probeer ik te staan voor de vrijheid van meningsuiting. Ook in een tijd als deze, waarin die vrijheid zo bruut wordt aangetast.

Maar als christen die mens en God in het centrum van zijn levensovertuiging stelt, ben ik juist door die vrijheid van meningsuiting onderwerp van kritiek of spot. Misschien heeft u ook een levenswijze, geaardheid of afkomst die soms belachelijk gemaakt wordt. Doordat dit mij en ons raakt, botst de vrijheid die we zo koesteren soms met onze persoonlijke belangen.

Een van de vele stukken in de bijbel die mij inspireren, is wanneer Paulus schrijft: „Laat geen vuile taal over uw lippen komen, maar alleen goede en waar nodig opbouwende woorden, die goeddoen aan wie ze hoort” . Veel cultuurkritiek, religiekritiek en satire is niet opbouwend.

Hoe verhoudt de vrijheid van meningsuiting zich tot deze uitspraak van Paulus? Dat houdt mij bezig. Als we zo vaak vinden dat onze ‘joods-christelijke’, westerse cultuur in vele opzichten verder ontwikkeld is, moeten we dan zo’n woord van Paulus niet vaker ter harte nemen? In plaats van onze morele superioriteit van de daken schreeuwen, vaker onze mond houden? Ik ben er nog niet uit.

Christiaan Lustig

Aandacht onevenredig

Journalisten hebben de neiging onevenredig veel over een kwestie te publiceren zodra die kwestie journalisten betreft. Zo ook nu. Dat de aanslag in Parijs extra bij ze leeft is begrijpelijk; het gaat over hun vak en beroepsgenoten. Tegelijk lijkt het me goed als ze zich daar bewust van zijn en verslag doen zoals zij dat gewend zijn te doen.

Robert Wigt

Beledigen is niet mijn recht

In het commentaar van 8 januari schrijft NRC Handelsblad dat we het recht hebben om te beledigen. Ik wil de volgende vraag stellen: hebben we in een vrij land ook het recht om niet beledigd te worden? Denk eens aan de volgende parallel: de vrijheid van de één, beperkt zich bij de vrijheid van de ander. Vrijheid van meningsuiting is een zeer groot goed. Ik heb grote behoefte aan de vrijheid om mijn mening te mogen uiten. Ik hoef echter niet zo nodig het recht om te beledigen. Omdat ik ook niet graag beledigd wil worden.

Hayo Heerink

Ik zag geen hoofddoekjes

Kijkend naar de uitzending van de bijeenkomst op de Dam ter herdenking van de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo, viel mij iets op: ik zag petten, ik zag mutsen, ik zag hoeden. Waar waren de hoofddoekjes?

Joke Koelmans

Ik ga me niet verantwoorden

En het is weer raak. Gekken hebben uit ‘de naam van de islam’ een aanslag gepleegd en weer komen de racistische mensen op Facebook naar voren. Weer moet ik mij verantwoorden voor iets waar ik niks mee te maken heb. Nu verwacht Nederland van mij en van andere moslims, dat wij afstand nemen van die gestoorde barbaren die een aanslag hebben gepleegd in Parijs.

Waarom zou ik als moslim afstand moeten nemen van dit soort gruwelijke daden? Dat is ronduit belachelijk. Natuurlijk vind ik het walgelijk, zoals ieder normaal denkend mens dit belachelijk zal vinden. Ieder religieus persoon zou dit soort daden walgelijk moeten vinden. Maar toch moet ik mij verantwoorden.

Er zijn ongeveer 1,6 miljard moslims over de hele wereld, ongeveer 30.000 daarvan zijn geradicaliseerde terroristen. Dit is dus nog minder dan 1 procent van alle moslims over de hele wereld. En toch moet ik mij nog steeds verantwoorden door te zeggen dat het #nietmijnislam is? Uiteraard is het niet mijn islam, ik geloof in God. Ik geloof er niet in dat wij elkaar maar allemaal moeten neerknallen als je het ergens niet mee eens bent.

Dus waarom zouden moslims afstand moeten nemen voor iets wat zo absurd is?

Het is te idioot voor woorden dat men nog wil horen dat ‘wij moslims’ er afstand van nemen. Ik hoef mij niet te verantwoorden.

Yasmina el Ouardani

Praat over leven na de dood

Op de voorpagina van 8 januari schrijft NRC : „[Het] is cruciaal dat het gevaar onderkend wordt van de radicalisering van vooral jonge moslims in Europese landen. Maar als het drama van gisteren leidt tot een godsdienstoorlog tegen de islam, zou dat een overwinning voor de terroristen zijn”. Met de tweede zin wordt de plank misgeslagen. Die gaat voorbij aan het feit dat er al een godsdienstoorlog woedt. Wat er speelt, word zichtbaar door een nieuwe kijk op Clausewitz’ beroemde uitlating ‘oorlog is voortzetting van politiek met andere middelen’. Alleen is datgene wat nu benoemd wordt als terreur van moslimsextremisten, geen oorlog in de zin van voortzetting van politiek met andere middelen, maar voortzetting van het theologisch debat met andere middelen. Het probleem is dat het ‘theologische debat’ niet wordt gevoerd. Alleen tussen de regels door komt soms een flard ervan ter sprake. Want politiek met expliciet godsdienstige motieven is in het Westen niet eens meer een achterhoedegevecht.

Strijdmiddelen zoals Wilders gebruikt tegen het heilig geloof van de moslims zijn contraproductief. Strijdmiddelen zoals de journalistiek zijn ineffectief. Het enige dat wel kan helpen, is begrip voor wat de moslims voelen en willen; empathie met wat ze beweegt inzake de vraag naar voortbestaan na de dood. In het Westen is zelfs de mogelijkheid om hierover een serieus debat te openen afgedekt door dogmatisch agnosticisme. Zolang dat zo blijft, zullen steeds meer moslims die in het Westen zijn opgegroeid radicaliseren.

Hugo S. Verbrugh

Soumission ongevaarlijk

Met verbazing heb ik de brief van Fouad Laroui gelezen (NRC, 8 jan.). Hij presenteert zichzelf daarin als een vreedzame humanist die klem zit tussen de hooligans van de intolerantie. Enerzijds zijn dat volgens hem de Franse terroristen en anderzijds, jawel, Michel Houellebecq. Die heeft namelijk kortgeleden een ‘gevaarlijke’ nieuwe roman, Soumission, gepubliceerd. Laroui’s reactie op Soumission doet me denken aan die van Mohamed Rabbae op De Duivelsverzen van Salman Rushdie. Rabbae liet indertijd in een interview weten dat het boek volgens hem verboden moest worden. Zo stellig is Laroui gelukkig nog net niet uit, maar we zijn inmiddels dan ook twintig jaar verder. Wel maakt die kwalificatie „gevaarlijk boek” één ding duidelijk: Soumission vraagt volgens Laroui om problemen, net zoals volgens anderen de cartoons in Charlie Hebdo om problemen vroegen.

De heren laten zich er op voorstaan dat ze de weldenkende moslims in Nederland vertegenwoordigen. Ik weet niet of die groep daar zo blij mee moet zijn. Je kan ze nauwelijks verdedigers van het vrije woord noemen.

Wie vindt dat schrijvers een andere toon moeten aanslaan, staat dichter bij de bewapende hooligans van de intolerantie dan hij zelf beseft.

G. Stolk

Geef Wilders geen podium

Vrijheid van meningsuiting is een groot goed. Dat moet ten alle tijden geëerbiedigd worden. Respect voor elkaar en het bewustzijn van het publiek zijn belangrijk. Na de barbaarse aanslag in Parijs laat ieder zijn en haar mening horen en zal er angst gezaaid worden. De verantwoordelijkheid van de journalistiek is ervoor te zorgen dat het podium van mensen als Geert Wilders zo klein mogelijk blijft.

Evert Jan Schuur