Opinie

NRC en Charlie Hebdo: hoe solidair moet een krant zijn?

De ombudsman

Het was een warme nacht in Los Angeles, in oktober 1910. Onder de redactie van The Los Angeles Times draaiden de persen voor een extra editie, zo’n honderd medewerkers – journalisten, zetters en drukkers – waren nog in het gebouw. Toen de bom afging.

De explosie rukte een muur uit het pand, er brak brand uit, redacteuren vochten zich een weg naar de uitgang. Tol: 21 doden en tientallen gewonden.

De aanslag was het werk van vakbondsactivisten (de Bond van Brug- en IJzerwerkers) die zich keerden tegen de kapitalistische koers van het dagblad. Twee daders werden gearresteerd; doden waren niet de bedoeling geweest, zeiden ze, de bom was te vroeg afgegaan.

Hoe solidair moet een redactie zijn?

Bij aanslagen door moslimextremisten zijn tienduizenden doden gevallen – nog deze week vermoordde Boko Haram tientallen burgers in Nigeria. Maar het weerzinwekkende bloedbad bij Charlie Hebdo, dat herinnert aan de moord op Theo van Gogh, raakt juist de pers.

NRC Handelsblad trok een dag later vele extra pagina’s uit voor berichtgeving over de terreurdaad – zoals de krant dat doet sinds 11 september 2001.

Met een paar uitzonderlijke accenten.

De krant gaf geen gevolg aan de oproep om cartoons uit Charlie Hebdo op de voorpagina te herhalen (wel binnenin). Nrc.next deed dat wél, maar de middagkrant koos ervoor, evenals Het Financieele Dagblad, om die dag het commentaar op de voorpagina te plaatsen (De stem van Charlie Hebdo mag niet verstommen). In de krantentitel, de masthead, werd, naast het logo Lux et Libertas de leus ‘Je suis Charlie’ geplaatst. Een eerdere, door de hoofdredacteur getwitterde variant die het niet haalde had alleen de leus, zonder het NRC-logo.

De leus prijkte toen overigens ook al op tientallen affiches achter de ruiten van het NRC-pand in Amsterdam, een initiatief van de hoofdredactie. De redactie volgde ook de suggestie van de journalistenvakbond NVJ om die ochtend een minuut stilte in acht te nemen.

Gaat de krant met die signalen de grens over naar activisme – en zo ja, is dat dan dit keer niet terecht?

Een krant engageert zich allereerst door berichtgeving en een standpunt, niet door gebaren. Dit commentaar op de voorpagina plaatsen was zeker verdedigbaar, ook inhoudelijk. Het legde, in de traditie van NRC Handelsblad de nadruk op het vrije woord, een pluriforme pers en het voorkomen van een „godsdienstoorlog”, niet op de noodzaak van eenheid in opinies. Een goed punt, want zoals de filosoof Ger Groot twitterde: „[De] paradox is juist dat het vrije woord mensen scheidt. Echte vraag is dus: hoe leven wij in verdeeldheid?”

Over de ondertekening ervan ontstond discussie op de redactievloer. Het commentaar is een standpunt van het instituut, niet van individuele redacteuren of alle redacteuren samen. Maar moest hier niet toch iets onder? ‘De redactie’ of ‘de hoofdredactie’ werd uiteindelijk – terecht – vervangen door ‘NRC Handelsblad’, wat onder het logo NRC natuurlijk ook nogal vanzelf spreekt.

Minder gelukkig vind ik de beslissing om ook nog de titel aan te passen. Ook de Volkskrant had een symbolische voorpagina – een foto met het geheven potlood – maar hoofdredacteur Remarque van die krant zei in een blog dat hij ervoor wilde waken „onze eigen solidariteit en ontzetting” te veel op de voorgrond te plaatsen. Inderdaad. Het afgewogen commentaar dat NRC Handelsblad afdrukte, leek mij voldoende als positiebepaling.

Dat geldt ook voor wat de lezer niet zag, die affiches achter de ramen: uit menselijk oogpunt heel begrijpelijk – welke journalist herkent zich niet in de beelden van het redactielokaal van Charlie Hebdo? – maar de grens tussen professioneel medeleven en misplaatst co-slachtofferschap is dun. Sommige redacteuren vonden het prima, anderen voelden zich er ongemakkelijk bij. Ik ook.

Het belangrijkste: in de journalistieke productie van donderdag gingen krant en site nergens over die dunne grens heen. Die was ronduit geweldig, indrukwekkend compleet, relevant, sereen vormgegeven, betrokken maar niet emotioneel. Op het blog Open Democracy las ik: „Het is nu tijd voor slow journalism.” Niet traag, maar alert, diepgravend en bedachtzaam. Zoals nrc.nl op een haarscherp live blog niet de video toonde van de moord op de Parijse politieman (maar er naar linkte, met waarschuwing).

Intern is ook over de beveiliging beraadslaagd. Logisch, al zijn wij geen Charlie. De veiligheidsprocedures zijn nu iets verscherpt. Een al te voorzichtig voornemen van het gebouwmanagement om het NRC-logo op de gevel tijdelijk niet te verlichten, werd – gelukkig – door hoofdredacteur Vandermeersch voorkomen.

Wat vonden de lezers?

Ik kreeg alleen de vraag waarom de krant woensdag de aanslag nog niet meldde – NRC is toch een middagkrant?

Ja, maar ook een middagkant heeft een deadline. Enkele jaren geleden lag die voor de voorpagina nog op 13.30 uur, dat is fors vervroegd tot 12.00 uur. Dat bespaart (er hoeven minder persen te draaien), maar er is ook een logistiek argument: hoe eerder de krant wordt gedrukt, hoe groter de kans dat die op tijd wordt bezorgd. Achteraf gezien, zegt de hoofdredacteur, had de krant wel de digitale editie moeten aanpassen.

Ten slotte. Deze aanslag maakt nóg iets duidelijk, net als die op de LA Times. Media, hoe puur ‘professioneel’ ze ook willen zijn, zijn geen neutrale waarnemers maar staan midden in de samenleving – en spelen daar een rol in. Dat maakt ze nu juist tot doelwit van fanatici. En, trouwens, tot mikpunt van critici die op ‘de media’ inhakken omdat die niet objectief zouden zijn, bijvoorbeeld over de islam, maar die nu eendimensionale partijdigheid en frontvorming eisen.

NRC Handelsblad is een krant die feiten van meningen wil scheiden; maar het is geen neutrale krant, de signatuur is liberaal. Daarom kan een statement zoals het commentaar van donderdag gewenst zijn, of nodig. Maar de masthead zou onaantastbaar moeten zijn; daarin is de krant alleen zichzelf.