Met zijn koude ogen is hij een gevaar voor Carlsen

Fabiano Caruana lijkt de belangrijkste bedreiging voor wereldkampioen Magnus Carlsen in het Tata Steel-toernooi dat vandaag begint.

Fabiano Caruana: „De meeste schakers zijn op de een of andere manier introvert en als je het niet al bent dan word je het wel. Het is een eenzaam spel.”
Fabiano Caruana: „De meeste schakers zijn op de een of andere manier introvert en als je het niet al bent dan word je het wel. Het is een eenzaam spel.” Foto´s David van Dam

Achter zijn brillenglazen staan zijn ogen strak, emotieloos, maar soms dwarrelen ze af. Dan lijkt hij verlegen of onzeker. Soms bloost hij. Ook tijdens een partij kan hij zomaar ineens een kleur krijgen. Zelf heeft Fabiano Caruana daar een opmerkelijke verklaring voor: „Andere schakers kunnen vaak goed verbergen wanneer ze zenuwachtig zijn. Bij mij is het andersom. Ik lijk zenuwachtig, maar ben het niet.”

De Amerikaanse sterfotograaf Harry Benson gelooft hem. Benson fotografeerde Caruana na zijn historische overwinning in St. Louis afgelopen zomer, waar hij zeven topgrootmeesters op rij versloeg, inclusief Magnus Carlsen. Eerst liet Benson hem zijn boek zien met iconische foto’s van Bobby Fischer, daarna pakte hij zijn camera om door te dringen in het grootste Amerikaanse talent sinds Fischer. Na afloop vertelde de fotograaf wat hij had gezien: „Hij is een winnaar, een kampioen. Hij heeft koude ogen.”

Schuchter

Toch kon het verschil tussen de mediagenieke Carlsen en de schuchtere Caruana nauwelijks groter zijn. Terwijl de atletische Noor van zijn naam een merk heeft gemaakt en vriendschappelijke potjes schaakt met mensen als Bill Gates en Mark Zuckerberg, is de frêle nummer twee op de wereldranglijst buiten schaakkringen nauwelijks bekend.

Tijdens de laatste WK-match tussen Carlsen en Anand waagde Caruana zich op Twitter. Hij moest zich meer laten zien vonden vrienden van hem, van zich laten horen. Hij volgde hun raad en leverde tussen een lawine aan zinloze kreetjes iedere dag trouw een observatie die hout sneed.

De schakers waren enthousiast, maar een echte Twitteraar werd hij niet. „Het kostte niet veel moeite”, zegt hij nu, „Ik schreef maar één tweet per dag vanuit mijn luie stoel, maar na de match ben ik niet meer echt actief geweest.” Met een excuserend lachje geeft hij toe: „Het is waar, het is niet iets wat mij echt interesseert.”

Alleen op het schaakbord biedt hij Carlsen volwaardig partij. Geen speler is zo gevaarlijk voor de wereldkampioen, die zelden verliest, als Caruana. Afgelopen jaar speelden ze in totaal, met verschillende tijdcontroles, twaalf keer tegen elkaar. Carlsen won zes keer, Caruana vier keer, slechts twee partijen eindigden in remise.

Desalniettemin aarzelt hij om te spreken van rivaliteit. „Dat is meer een mediahype. Wanneer we tegen elkaar spelen is dat interessant voor de toeschouwers omdat ik hem probeer te verslaan en hij mij en het niet duidelijk is wat de uitslag zal zijn. Ik maak zeker een kans om volgend jaar de WK-match tegen hem te spelen, maar zolang ik me daar nog niet voor gekwalificeerd heb, vind ik niet dat er sprake is van rivaliteit.”

The New York Times

Het is Caruana ten voeten uit. Hij zal zichzelf niet uitvlakken, maar hij laat zich ook het hoofd niet op hol brengen. Na ieder succes vertelt hij zichzelf dat het in het volgende toernooi ook heel goed mis kan gaan.

Dezelfde vrienden die hem adviseerden te twitteren, zorgden ervoor dat er vorige maand een ruim bemeten profiel van hem verscheen in de bijlage van de The New York Times. In het stuk noemt Ken Rogoff, topeconoom en in zijn jonge jaren actief als schaakgrootmeester, Caruana’s spel ‘Shakespeareaans’.

Volgens Rogoff gebruikt hij ideeën die voor iedere speler beschikbaar zijn, maar tilt ze naar een niveau dat poëzie ontstijgt. Caruana glimlacht als hij het nog eens hoort. „Ik weet niet of ik in alle aspecten beter ben. Wel is het zo dat ik momenteel betere resultaten heb dan de meeste anderen.”

Fabiano Caruana groeide op in New York, in Brooklyn. Vrijwel zolang als hij zich kan herinneren, speelde schaken een belangrijke rol in zijn leven. „Aanvankelijk schaakte ik gewoon voor de lol. Toen ik tien was won ik voor het eerst van een grootmeester, maar dat was maar een rapidpartij in de Marshall Chess Club. Ik was nogal goed voor mijn leeftijd, maar het kwam niet in me op dat ik ooit beroepsspeler zou worden.”

Dat veranderde snel nadat hij op zijn twaalfde met zijn ouders naar Europa verhuisde. Om te beginnen naar Madrid, een keerpunt in zijn leven. „Vanaf dat moment ging ik niet meer naar school. Ik was niet Spaans, dus dat kon niemand iets schelen. Soms miste ik het. Sociaal gezien zou het leuk zijn geweest om naar school te gaan.”

Hij aarzelt even en zegt dan met een grijns: „Als er kinderen zijn die dit lezen moet ik dit misschien niet zeggen, maar academisch gezien geloof ik niet dat het een groot gemis was. Ik was toch wel schaker geworden en het meeste kun je tegenwoordig op internet vinden.”

Afstandelijk

Van Madrid ging het naar Boedapest, waar hij als veertienjarige grootmeester werd, daarna naar Lugano en uiteindelijk weer terug naar Madrid. Tussendoor wende hij aan het reizende leven van de profschaker.

„Het is moeilijk om echte vrienden te maken in het schaken. Hoewel ik nu minder afstandelijk ben dan voorheen. Ik zie dezelfde mensen al ik weet niet hoeveel jaar, dan kun je na afloop van een toernooi best wat plezier hebben samen.”

Toch ontkent hij niet dat hij nogal op zichzelf is. „Ik ben een beetje introvert, maar dat heeft niets met bescheidenheid te maken”, vertelt hij. „De meeste schakers zijn op de een of andere manier introvert en als je het niet al bent dan word je het wel. Het is een eenzaam spel. Je speelt niet in een team en zelfs in teamwedstrijden speel je niet echt in een team. Je verliest alleen en je wint alleen.”

Alleen daarom al is hij blij dat hij een goede band heeft met zijn trainer, de Belgisch-Russische grootmeester Vladimir Chuchelov. „We werken erg goed samen. Maar toch, wanneer ik naar het bord ga is niemand verantwoordelijk voor mijn zetten behalve ik.”

Niet normaal

In de vier jaar dat ze nu samenwerken maakte hij de sprong naar de absolute top, met als onbetwist hoogtepunt zijn eclatante overwinning in St. Louis, waar hij drie punten voor Carlsen eindigde.

„Ze zeggen dat alles mogelijk is, maar dit was wel op de grens. Ik vraag me nog wel eens af hoe ik dat heb kunnen doen. Zeven partijen op rij winnen tegen deze jongens. Volstrekt niet normaal. Dat was een van de beste prestaties ooit en misschien gebeurt het wel nooit meer”, vertelt hij.

„De sterren moesten heel speciaal staan. Ik verdiende het, want in die eerste zeven partijen maakte ik geen enkele fout, maar er gebeurden ook dingen waar ik geen controle over had. Met name de openingen die ze kozen. De een na de ander koos een variant waarin we iets hadden voorbereid.”

Hij geniet ervan, maar wil er ook niet aan denken nu er een nieuw toernooi begint en alle tellers weer op nul staan. Hij wil in Wijk aan Zee winnen. Omdat hij er nog nooit gewonnen heeft en omdat hij ieder toernooi wil winnen. „Carlsen en de Armeniër Levon Aronian doen mee, dat is altijd bijzonder. En het wordt zwaar, 13 ronden is lang.”

Hoewel hij Carlsen noemt, wil hij geen speciale aandacht aan hun onderlinge partij besteden. Hij herinnert aan twee jaar geleden, toen hijzelf ziek werd, een risico dat in het winderige Wijk aan Zee altijd in de lucht hangt, en de Noor een droomtoernooi beleefde.

„We speelden in de eerste ronde tegen elkaar en iedereen keek daarnaar uit. Maar het werd een rustige remise en vervolgens eindigde ik op -2 en hij op +7. Dus die partij bleek niet echt zo belangrijk. Het gaat nooit om één partij.”