Liever smart dan moe

Op gadgetbeurs CES domineert the internet of things – alle apparaten, objecten, dieren en planten moeten online. Maar wat heb je eraan?

Illustratie Roland Blokhuizen

Glimmende dingen met een stekker, daar houden de bezoekers van de Consumer Electronics Show (CES) van. De grootste gadgetbeurs ter wereld, afgelopen week in Las Vegas, trekt 160.000 mensen die zich graag vergapen aan grote tv’s, audioapparatuur en computerbrillen.

Dit jaar drommen de CES-gangers samen bij een bluetoothpleister voor baby’s, die de temperatuur en hartslag van het kind doorstuurt naar je smartphone. En ze staren naar de ficus benjamina, een treurwilg die een trucje kan: hij drinkt zelf uit de fles en geeft een seintje als het water op is.

Slimme pleisters en slimme planten staan symbool van the internet of things, de modekreet die gebruikt wordt voor het koppelen van objecten via IP, het internetprotocol. Alles, werkelijk alles gaat online op deze editie van CES. Als het aan de fabrikanten ligt, krijgt het hele huishouden draadloze sensoren: koelkasten, wasmachines, rookmelders, verwarming, verlichting, deursloten en beveiligingscamera’s vormen samen een smart home.

Ook huisdieren ontspringen de dans niet: met een gps-chip houd je de hond in gaten, een fitnesstracker met app controleert of je kat wel voldoende beweging krijgt. Wearable tech voor dieren, afgeleid van de bewegingsmeters waar hun sportieve baasjes zich mee volhangen.

Fornuis voor mannen

De elektronica-industrie werpt zich met overgave op the internet of things. Bedrijven als Samsung, LG, maar ook Google en Apple proberen hun greep op ons leven te vergroten. Ze moeten wel: de omzet van de populairste consumentenelektronica (smartphones, tablets en tv’s) groeit amper; met pijn en moeite werd in 2014 wereldwijd krap 1 procent meer aan elektronica omgezet dan in het jaar ervoor.

Hoogste tijd dus voor nieuwe productgroepen – op CES zie je meer mannen achter het fornuis dan waar ook ter wereld. Maar het is dan wel een fornuis dat met je smartphone kan bedienen.

The internet of things biedt groeimogelijkheden. Onderzoeksbureau IDC voorspelt, met een natte vinger, dat er in 2020 30 miljard objecten online zullen zijn en dat de totale omzet 3.400 miljard dollar bedraagt, een groei van 13 procent per jaar. Hierbij telt IDC overigens wel de industriële toepassingen mee.

Eufemisme voor lui

Wat voegt the internet of things toe aan het dagelijks leven? Fabrikanten van consumentenelektronica zijn geneigd om privacy- en veiligheidsrisico’s te bagatelliseren. De smart home-scenario’s die op CES voorgeschoteld worden, worden er met de haren bij gesleept: een koelkast die zelf boodschappen bestelt, de auto die de verwarming in huis alvast hoger zet als je van je werk wegrijdt en lampen die oplichten en muziek die begint te spelen, zodra je de voordeur opendoet. Vaak is ‘smart’ een eufemisme voor lui. 

Simpelweg elk object online toegankelijk maken, heeft weinig zin. Samsung-topman BK Yoon hield een pleidooi voor standaardisering en uitwisseling van data. Hij weet dat consumenten in de praktijk apparaten van verschillende merken in huis hebben die niet met elkaar ‘praten’, zelfs al hangen ze aan hetzelfde netwerk.

The internet of things wordt pas echt zinvol als data van alle gekoppelde sensoren ingezet kunnen worden om gedragspatronen te herkennen. Zo kun je, volgens een voorbeeld van Samsung, de tv een geschikte film laten suggereren op basis van je activiteitenpatroon van die dag, het aantal mensen in de kamer en de temperatuur in huis. Of dát dan toegevoegde waarde levert, is nog maar de vraag.

Niet alleen Samsung pleit voor het openstellen van data: Google koppelt zijn Nest-thermostaat met zoveel mogelijk apparatuur van derden en tegelijkertijd bouwt Apple een homekit om je huis met de iPhone te bedienen. Daarvan zijn de eerste voorbodes al op CES te zien. Ook witgoedfabrikanten ontwikkelen hun eigen standaarden om apparatuur met elkaar te verbinden en op afstand in de gaten te houden.

Geen van de fabrikanten wil de regie kwijtraken. Zolang de markt versnipperd blijft, levert het slimme huis meer problemen dan gemak op. Moet je een koelkast uitkiezen die bij je smartphone past? Ruil je de vaatwasser in omdat die niet meer met de thermostaat ‘praat’? De fragmentatie zorgt voor configuratieproblemen en dat weerhoudt veel consumenten ervan om van hun huis een smart home te maken.

Zelfs de professionals vinden dat irritant. „Ik heb op mijn telefoon wel vijf verschillende apps om mijn huis te bedienen”, zegt Mike Bell die Intels New Devices-tak leidt. „Eentje voor de thermostaat, eentje voor de zwembadpomp, en ga zo maar door.” Voor veel fitnesstrackers zou hetzelfde gelden: de gebruikersdata blijven vaak gevangen in de applicatie van de fabrikant en dat beperkt de keuzevrijheid.

Intel ontwierp een zuinige chip, de Curie, waarmee het bedrijf een plek wil veroveren in the internet of things. Intel miste de boot met de smartphone en wil koste wat kost een rol van betekenis spelen op de snel groeiende markt van draagbare gadgets – slimme brillen en horloges die je bewegingen vastleggen. Op dit moment wordt dat terrein nog gedomineerd door chips op basis van ARM-processortechnologie, bijvoorbeeld die van Qualcomm.

35 jaar op één batterij

Ook Nederland doet mee met de internet of things-rage. Het Utrechtse bedrijf GreenPeak produceert in China draadloze chips die extreem weinig energie verbruiken. Oprichter Cees Links staat op CES in de Zigbee-stand, genoemd naar de technologie waarmee de meeste draadloze sensoren communiceren. Via Zigbee kun je deursloten, lampen en rookmelders in de gaten houden. De batterij van een GreenPeak-chip gaat 35 jaar mee, langer dan het product zelf.

Links was de bedenker van de wifi-standaard en heeft nu een bedrijf met 75 mensen die per week 1 miljoen chips maken. De omzet is in het afgelopen jaar verdubbeld naar 30 miljoen euro.

Links begrijpt de scepsis over het smart home – wat heb je er aan als je koelkast zelf meldt dat ze aan vervanging toe is, je merkt het wel als die stuk gaat. Toch is hij optimistisch over het slimme huis en the internet of things. Het gaat alleen niet zo snel als de hype doet vermoeden: „Mensen hebben geen idee hoe lang het duurt voordat nieuwe technologie omarmd wordt. Iedereen zegt: technologie gaat zo hard, de wereld verandert zo snel. Dat is grote nonsens. We bouwden de eerste wifi-chip in 1991. Ik heb acht jaar wifi lopen verkopen en kreeg telkens te horen dat het niet betrouwbaar was en mensen waren bezorgd dat de vullingen uit hun kiezen zouden trillen. Pas nu heeft elk huishouden, wereldwijd, gemiddeld tien wifi-chips.”

Zorgdiensten

Als de voorspellingen kloppen, heeft in 2030 elk huishouden gemiddeld 100 draadloze sensoren. „70 of 80 miljard chips”, zegt Links. „Dat is alleen het internet of things in het huishouden, niet eens de sensoren die in winkels of in de industrie en logistiek gebruikt worden.”

GreenPeak levert chips voor praktische toepassingen, zoals de alarmsystemen die Amerikaanse kabelmaatschappijen leveren via hun settopbox (decoder). Volgens Links is de Amerikaanse markt vooral gericht op beveiligingsdiensten, willen Europese consumenten hun huis slimmer maken om energie te besparen en is in Azië veel interesse voor zorgdiensten waarmee ouderen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen.

„Wij zijn de loodgieters, wij knopen de infrastructuur aan elkaar”, zegt Links. Oftewel: the internet of things doet niks vanzelf. Eerst moeten er nuttige applicaties ontwikkeld worden, daarna moeten die applicaties ook elkaars data gaan gebruiken. Vervolgens moet het een paar keer goed mis gaan: veiligheidsproblemen, gehackte huizen, privacyschandalen en geruzie tussen concurrerende formats en standaarden.

Veel techblogs reageerden sceptisch op het hoofdthema van de Consumer Electronics Show. Ze krijgen nu al hoofdpijn bij de gedachte dat ze jarenlang apparaten moeten uitproberen en installeren waarvan de meerwaarde onduidelijk is. De techies moeten nog even geduld hebben voor the internet of things net zo makkelijk werkt als het ‘gewone’ internet. En ondertussen niet vergeten de treurwilg water te geven.