Ik schrijf niet vanuit angst

In de nieuwe roman van Michel Houellebecq is een radicale moslim tot president van Frankrijk gekozen. Dat is niet bedoeld als schrikbeeld, zegt de schrijver. „Ik schets een ontwikkeling die ik waarschijnlijk acht.”

Door Sylvain Bourmeau

Michel Houellebecq: „Ik geloof dat er een werkelijke behoefte is aan God en dat de terugkeer naar religiositeit niet zomaar een kreet is, maar een realiteit die met grote snelheid op ons af komt.”
Michel Houellebecq: „Ik geloof dat er een werkelijke behoefte is aan God en dat de terugkeer naar religiositeit niet zomaar een kreet is, maar een realiteit die met grote snelheid op ons af komt.” Foto François Berthier

Een cartoon van de Franse schrijver Michel Houellebecq sierde deze week de cover van het satirische weekblad Charlie Hebdo. De dag van de aanslag op de redactie was ook de dag dat diens nieuwe roman Soumission in de Franse boekhandels lag. De roman – de titel, ‘Onderwerping’, is toevallig gelijk aan die van de anti-islamfilm die Theo van Gogh in 2004 maakte met Ayaan Hirsi Ali – speelt zich af in een geïslamiseerd Frankrijk: bij de presidentsverkiezingen van 2022 heeft de leider van een fictieve moslimpartij Marine Le Pen van het rechts-nationalistische Front National verslagen.

Houellebecq liet vrijdag weten de promotie van zijn boek op te schorten en voorlopig buiten de publiciteit te blijven. De Franse journalist en criticus Sylvain Bourmeau ondervroeg hem vóór de aanslag uitgebreid over het boek. Bourmeau denkt dat een dergelijke roman, in deze tijd, slecht kan uitpakken „voor iedereen met een Arabische voornaam of een donkere huid”, en wilde weten of Houellebecq bewust probeert de angst voor de islam aan te wakkeren. In een interview in 2001 zei Houellebecq de islam als ‘de meest stupide religie’ te beschouwen.

Waarom heeft u dit boek geschreven?

„Om verschillende redenen. Ten eerste omdat boeken schrijven mijn vak is, al ben ik niet dol op dat woord. Toen ik na een lang verblijf in het buitenland terugkeerde naar Frankrijk, bespeurde ik daar grote veranderingen. Veranderingen die overigens niet specifiek Frans zijn, maar zich in de hele westerse wereld voordoen. Ontwortelden, zoals ik, interesseren zich niet meer zo erg voor de wereld, noch voor hun land van herkomst, noch voor het land waarin ze wonen. De tweede reden waarom ik dit boek heb geschreven, is dat mijn atheïsme niet bestand was tegen een reeks sterfgevallen die ik heb meegemaakt. Mijn atheïsme leek me niet langer houdbaar.”

De dood van uw hond, van uw ouders?

„Ja, dat was veel, in korte tijd. Misschien voelde het ook wel zo zwaar omdat ik, anders dan ik altijd dacht, geen atheïst bleek te zijn. Ik ben een agnost. Doorgaans is dat een dekmantel voor atheïsme, maar in mijn geval niet, geloof ik. Als ik, met alles wat ik weet, antwoord moet geven op de vraag of er een Schepper bestaat, een kosmische orde of iets dergelijks, dan heb ik daar geen antwoord op.”

Terwijl u daarvoor het gevoel had...

„Ik dacht dat ik atheïst was, ja. Nu weet ik het echt niet meer. Dat zijn de twee redenen waarom ik dit boek heb geschreven, waarbij de tweede waarschijnlijk belangrijker is dan de eerste.

„Een derde reden is dat het begin ervan me wel beviel. Ik heb het stuk tot en met pagina 26 in één keer opgeschreven. Ik vond die episode heel overtuigend, want ik kan me heel goed voorstellen dat een student Huysmans [Frans-Nederlandse schrijver (1848-1907) die zich bekeerde tot het katholicisme, red.] uitkiest als vriend en zijn leven aan hem wijdt. Toen ik die pagina’s geschreven had, heb ik een poos niets gedaan. Dat was in januari 2013 en pas in juni van dat jaar kon ik verder met de tekst.

„Mijn plan was aanvankelijk heel anders van opzet. Het zou niet Soumission heten, nee, de eerste titel luidde La Conversion [de bekering, red.] En in de eerste opzet bekeert de verteller zich ook, maar dan tot het katholicisme. Hij volgde dus dezelfde weg als Huysmans, maar een eeuw later: vanuit het naturalisme katholiek worden. Maar het lukte me niet om het zo op te schrijven.”

Waarom niet?

„Dat werkte niet. Naar mijn idee is de sleutelscène van het boek de passage waar hij voor de laatste keer kijkt naar de Zwarte Madonna in Rocamadour. Hij voelt een spirituele kracht, die in golven over hem heen spoelt. Maar dan verdwijnt ze plotseling weer in het verleden en keert hij terug naar de parkeerplaats, eenzaam en vrij wanhopig.”

Is uw roman een satire?

„Nee. In een klein deel van het boek worden politieke journalisten en politici wel op de korrel genomen. Maar de hoofdpersonen zijn niet satirisch.”

Hoe bent u op het idee gekomen om in de presidentsverkiezingen van 2022 Marine Le Pen en de leider van een moslimpartij de strijd met elkaar te laten aanbinden?

„Marine Le Pen als presidentskandidaat leek me heel waarschijnlijk in 2022 – in 2017 al... De moslimpartij, dat gaat een stap verder... Daar zit het pijnpunt. Ik heb geprobeerd me in te leven in moslims en ik realiseerde me dat zij zich in een totaal schizofrene situatie bevinden. Omdat moslims in de hele wereld zich nauwelijks interesseren voor economische onderwerpen, houden ze zich vooral bezig met maatschappelijke thema’s. In al deze onderwerpen staan ze heel ver van de linkse politiek en nóg verder van partijen die het milieu hoog in het vaandel hebben. Denk alleen al aan het homohuwelijk. Ik zie ook geen reden waarom moslims rechts zouden stemmen en nog minder waarom ze voor extreem-rechts zouden kiezen, dat helemaal niets van moslims moet hebben. Dus wat moet een moslim doen als hij wil stemmen? Hij bevindt zich in een onmogelijke positie. Er is niemand die hem vertegenwoordigt. Toch is het onjuist om te stellen dat de islam een godsdienst is zonder politieke gevolgen, die heeft hij wel degelijk, net als het katholicisme trouwens, al is de katholieken aardig de mond gesnoerd. Dus is een moslimpartij volgens mij een voor de hand liggend idee.”

Maar het is nog een flinke stap verder om je voor te stellen dat zo’n partij over zeven jaar de presidentsverkiezingen kan winnen…

„Klopt, dat is nog heel onwaarschijnlijk. Om twee redenen. De eerste is de lastigste: allereerst moeten moslims onderling overeenstemming bereiken. Daarvoor is een zeer intelligent iemand nodig met een groot politiek talent, kwaliteiten die ik heb meegegeven aan mijn personage Ben Abbes. Een zeer groot talent komt weinig voor. Maar laten we er even van uitgaan dat het bestaat, dan kan zo’n partij vooruit, al zal dat de nodige tijd vergen. Als je kijkt hoe de Moslimbroederschap in Egypte werk is gegaan, dan zie je lokale netwerken, liefdadigheidsinstellingen, culturele centra, gebedshuizen, vakantieparken, zorgcentra, een beetje zoals de communistische partij het vroeger aanpakte. Ik denk dat zo’n partij in een land waar de armoede toeneemt, ook anderen dan alleen de ‘normale’ moslims, om het zo maar te zeggen, kan aanspreken, ook al omdat er geen ‘normale’ moslims meer zijn – je ziet steeds vaker dat ook mensen van niet-Arabische origine zich bekeren tot de islam. Maar zo’n proces zal decennia in beslag nemen.

„De sensatiezucht van de media speelt een negatieve rol in dit proces. Ze hebben gesmuld van het verhaal van die vent uit een klein dorp in Normandië, Franser dan Frans, uit een normaal gezin, die zich bekeerde tot de islam en als jihadganger naar Syrië vertrok. We kunnen gerust aannemen dat zo’n man staat voor tientallen anderen die zich bekeren, maar niet naar Syrië afreizen. Het is tenslotte geen feestje, die jihad in Syrië. Daarin zijn alleen mensen geïnteresseerd die van geweld houden, en dat is uiteraard een minderheid.”

Je zou ook kunnen zeggen dat deze mensen vooral geïnteresseerd zijn in een vertrek naar Syrië, meer dan in een bekering.

„Dat geloof ik niet. Ik geloof dat er een werkelijke behoefte is aan God en dat de terugkeer naar religiositeit niet zomaar een kreet is, maar een realiteit die met grote snelheid op ons af komt.”

Dat is de centrale hypothese in deze roman. Maar we weten ook dat die hypothese al heel lang wordt neergesabeld door geleerden die wijzen op de voortgaande secularisatie onder moslims. Het geweld en het radicalisme zouden de laatste stuiptrekkingen zijn.

„Dat is niet wat ik zie. Het is trouwens niet alleen de islam die profiteert van die terugkeer naar religiositeit, in Noord- en Zuid-Amerika zijn het vooral de evangelische kerkgenootschappen. Het is geen puur Frans fenomeen, je ziet het nagenoeg wereldwijd. Hoe het in Azië zit, weet ik niet, maar in Afrika groeien de twee grote godsdiensten: de evangelische kerken en de islam. Ik geloof niet dat een maatschappij standhoudt zonder religie.”

Maar waarom hebt u besloten om de zaken te ‘dramatiseren’ terwijl u zelf zegt dat het onwaarschijnlijk is dat Frankrijk in 2022 een moslim-president krijgt?

„Dat moet mijn hang naar het grote publiek zijn, naar thrillers. En er zit ook een stukje angst in. Ik maak gebruik van angst. Al weten we niet goed voor wie we bang zijn, voor degenen die uit alle macht vasthouden aan de Franse identiteit of voor moslims.”

Hebt u zich afgevraagd wat uw roman teweeg kan brengen?

„Niets. Helemaal niets.”

U denkt niet dat uw boek het beeld versterkt dat de islam als een zwaard van Damocles boven ons hangt, als iets heel beangstigends?

„Islam en radicalisme zijn momenteel al zo ongeveer de enige onderwerpen in de media, dus erger kan het niet. Er nóg meer over praten dan we nu doen, kan niet, deze roman heeft daar geen enkel effect op.”

Maar hebt u juist daarom geen zin om over andere onderwerpen te schrijven? Om niet mee te gaan in dat conformisme?

„Nee, het is onderdeel van mijn werk om op een objectieve manier te schrijven over de onderwerpen waar de mensen over praten. Ik maak deel uit van mijn tijd.”

U merkt in deze roman op dat de intellectuelen in Frankrijk de neiging hebben zich nooit verantwoordelijk te voelen, maar hebt u zichzelf wel eens afgevraagd wat uw literaire verantwoordelijkheid is?

„Maar ik ben geen intellectueel. Ik kies geen partij, ik verdedig geen enkel regime. Ik ontken elke verantwoordelijkheid, integendeel, ik eis volledige onverantwoordelijkheid op. Alleen als ik het in mijn boeken heb over literatuur, stel ik me op als literatuurcriticus. Maar het zijn essays die de wereld veranderen.”

U construeert een tegenstelling tussen antiracisme en ‘laïcité’, de scheiding tussen Kerk en staat. Daarbij zijn antiracisten vaak ook verdedigers van de laïcité, beide wortelend in de filosofie van de Verlichting.

„Achter de filosofie van de Verlichting kun je een kruis zetten: die is dood. Een frappant voorbeeld waar dat uit blijkt? De gesluierde kandidaat op de lijst van de extreem-linkse politicus Olivier Besancenot [van de Revolutionaire Communistenliga,red.]. Maar niet alleen moslims bevinden zich in een schizofrene situatie. Als het gaat om wat men noemt ‘traditionele waarden’ heeft extreem-rechts meer gemeen met de moslims dan links. Tussen een moslim en een atheïst zie je meer fundamentele verschillen dan tussen een moslim en een katholiek. Dat lijkt me duidelijk.”

Speelt racisme een rol?

„Op zich niet. Toen ik zo’n tien jaar geleden in een rechtszaak werd vrijgesproken van racisme, heeft de aanklager laten optekenen dat de islam geen raciale groep is. Dat is vandaag de dag nog duidelijker geworden. Door het delict ‘islamofobie’ uit te vinden, is de opvatting van racisme opgerekt.”

Misschien is het woord slecht gekozen, maar er zijn vormen van stigmatisering van groepen of van categorieën mensen die onder racisme vallen.

„Nee, islamofobie is geen racisme. Als íets duidelijk is geworden, is het dat wel.”

Islamofobie dient als dekmantel voor een vorm van racisme die niet meer uitgesproken wordt, omdat dat strafbaar is.

„Nee, dat geloof ik niet. Daar ben ik het niet mee eens.”

U creëert nog zo’n discutabele tegenstelling: die tussen antisemitisme en racisme… Toch zijn die twee in het verleden vaak hand in hand gegaan.

„Naar mijn idee hebben antisemitisme en racisme niets met elkaar te maken. Ik heb het antisemitisme grondig bestudeerd. De eerste gedachte is dat het lijkt op racisme. Maar hoe kunnen we van racisme spreken als je van iemand niet eens weet of hij Jood is of niet, omdat je dat niet kunt zien? Racisme is simpeler, daarbij gaat het om huidskleur…”

Nee, want cultureel racisme bestaat al heel lang.

„Maar nu geef je woorden een andere betekenis. Racisme is simpelweg dat je iemand niet mag omdat hij tot een ander ras behoort, omdat hij een andere huidskleur heeft, andere gelaatstrekken et cetera. Je moet woorden geen diepere betekenis geven dan ze hebben.”

Maar omdat rassen biologisch gezien niet bestaan, is racisme altíjd cultureel.

„Dat fenomeen zal heus wel bestaan. Zeker sinds culturen zich vermengen… Maar laten we wel wezen. U weet heel goed dat een racist iemand is die niet van een ander houdt omdat die ander een zwarte huid heeft of een Arabisch gezicht heeft. Dát is racisme.”

Of omdat hij waarden of een cultuur heeft die…

„Nee, sorry, dat is een ander probleem.”

Omdat hij polygaam is, bijvoorbeeld.

„Je kunt gechoqueerd zijn door polygamie zonder ook maar in de verste verte racist te zijn. Dat is het geval bij heel veel mensen die echt geen racist zijn. Maar laten we even teruggaan naar het antisemitisme, want we dwalen af. Als niemand aan iemands uiterlijk of gedrag kan zien of hij Jood is, waar zit ’m die afkeer dan in? Niet in racisme. Je hoeft alleen maar de teksten te lezen om te zien dat het eenvoudigweg een complottheorie is: er zijn onzichtbare mensen die verantwoordelijk zijn voor alle rampen in de wereld, indringers die complotten smeden tegen ons. Het gaat slecht met de wereld, het is de schuld van de Joden, het Joodse geld… Dat is een complottheorie.”

Maar zit er in Soumission ook niet een complottheorie, namelijk het idee dat er een ‘grote vervanging’, zoals de Franse schrijver Renaud Camus het uitdrukt, gaande is waarbij moslims de macht overnemen?

„Ik ben niet goed op de hoogte van die theorie, maar het klinkt alsof het te maken heeft met ras. Dus nee – in mijn boek gaat het niet over immigratie. Dat is niet het onderwerp.”

Het hoeft niet per se te gaan om ras, het kan ook gaan om godsdienst. In dit geval de vervanging van het katholieke geloof door de islam.

„Nee. Het gaat om de vernietiging van de filosofie die voortkwam uit de Verlichting en die voor niemand meer zinvol is, althans, voor heel weinig mensen. Met het katholicisme daarentegen gaat het best goed. Ik blijf positief over de vraag of een goede verstandhouding mogelijk is tussen katholieken en moslims. Dat hebben we al gezien. En dat is in de toekomst ook mogelijk.’’

U bent agnost geworden. Kijkt u welwillend naar de vernietiging van die filosofie van de Verlichting?

„Ja. Dat moest gebeuren en dan maar nu. Ik sta vijandig tegenover de filosofie uit de Verlichting, dat wil ik duidelijk stellen.”

Voelde u zich, toen u dit boek schreef als Cassandra, de mythologische figuur die onheil kon voorspellen, maar niet werd geloofd?

„Je kunt dit boek niet echt kwalificeren als een onheilsvoorspelling. Uiteindelijk gaat het allemaal nog niet zo slecht.”

Toch is het een ontzettend droevig boek.

„Ja, er schuilt een grote naargeestigheid in. Naar mijn idee komt de ambivalentie het beste tot uiting in de laatste zin: „Ik heb nergens spijt van”, terwijl je ook het omgekeerde kunt voelen. Er zijn twee dingen die de hoofdpersoon zou kunnen betreuren: Myriam en de Zwarte Madonna. Maar dat doet hij niet. Wat het boek zo triest maakt, is de sfeer van lijdzaamheid.”

Hoe verhoudt deze roman zich tot uw eerdere werk?

„In dit boek heb ik een paar dingen gedaan die ik al heel lang wilde doen, maar nooit gedaan heb. Zoals een heel belangrijk personage creëren dat nooit in beeld komt, Ben Abbes in dit geval. Ik heb ook nog nooit zo’n droevig einde aan een liefdesrelatie geschreven, omdat het zo alledaags is: uit het oog, uit het hart. Terwijl ze wel gevoelens voor elkaar hadden. In het algemeen kun je zeggen dat er in dit boek nog meer chaos zit dan in mijn andere romans. Er zit een schemerige, doodse kant aan dit boek die zorgt voor die droevige toon. Bijvoorbeeld, als het niet goed gaat met het katholicisme, komt dat doordat het zijn beste tijd gehad heeft, het maakt deel uit van het verleden, het heeft zichzelf verslagen. De islam is iets van de toekomst. Waarom gaat het niet goed met de staat? Omdat er te lang misbruik van is gemaakt.”

Is uw boek bedoeld als een provocatie?

„Ik versnel de geschiedenis, maar nee, ik kan niet zeggen dat het een provocatie is, in de zin dat ik geen dingen zeg die niet waar zijn alleen maar om mensen nerveus te maken. Ik schets een ontwikkeling die ik waarschijnlijk acht.”

Hebt u, tijdens het schrijven of toen u het boek herlas, geanticipeerd op de reacties op het boek?

„Nee, die kan ik nooit voorspellen.”

Men zou zich erover kunnen verbazen dat u nu deze richting hebt gekozen, terwijl uw vorige roman zo bejubeld is dat uw critici er het zwijgen toe deden.

„Het eerlijke antwoord is dat ik geen keuze heb gemaakt. Het boek begon eerst met een bekering tot het katholicisme.”

Zit er niet iets wanhopigs in zo’n wending waarvoor u niet echt hebt gekozen?

„De wanhoop zit ’m in het afscheid van een beschaving, hoewel die achterhaald is. Maar de Koran bleek beter dan ik dacht, toen ik die had herlezen, nou ja, gelezen eigenlijk. De meest evidente conclusie is dat jihadisten slechte moslims zijn. Natuurlijk, zoals in elke religieuze tekst is er ruimte voor interpretatie, maar eerlijke lezing leidt tot de conclusie dat een heilige oorlog in principe niet toegestaan is, alleen gebed. Dus je kunt zeggen dat ik enigszins van mening veranderd ben. Daarom heb ik niet de indruk dat ik vanuit angst schrijf. Ik denk eerder dat moslims en niet-moslims tot een goede verstandhouding kunnen komen. De feministen niet, als we heel eerlijk zijn. Maar ik en nog een heleboel mensen wel.”

Het woord feministen kunnen we hier vervangen door ‘vrouwen’, toch?

„Nee, we kunnen feministen niet vervangen door vrouwen. Echt niet. Ik maak duidelijk dat ook vrouwen bekeerlingen kunnen zijn.”