Geef religie maar weer de schuld

In haar nieuwe boek pleit godsdiensthistorica Karen Armstrong ervoor genuanceerd over religie en politiek te denken. Godsdienst is niet de belangrijkste oorzaak van alle onrecht.

Ongewild komt het precies op het juiste moment, deze vertaling van het nieuwste boek van godsdiensthistorica Karen Armstrong, over godsdienst en geweld. De wereld is nog steeds in shock over twaalf brute moorden in Parijs: ‘om de profeet te wreken’ – een evident religieus motief. Toch? Nee. Het hele boek van Armstrong, dat begint bij de Sumeriërs en eindigt bij Afghanistan, Irak en Osama bin Laden, is één lang pleidooi om genuanceerder te denken over religie en politiek. En om verder te kijken dan de eigen tijd.

Armstrongs boek is een reactie op de anti-godsdienstige reactie op de vorige terroristische aanslagen, in New York, Washington, Londen, Madrid, Amsterdam. Alleen religie kan weldenkende en fatsoenlijke mensen sterk genoeg motiveren om tot zo’n uiterste dwaasheid te komen, schreef Richard Dawkins, en velen denken er precies zo over. Echt onzin, betoogt Armstrong. Het hele idee van zelfmoordterroristen is ontwikkeld door de Tamiltijgers in de jaren tachtig, een politieke bevrijdingsbeweging. Pas met de aanslagen in Irak na 2003 haalde het aantal islamitische zelfmoordaanslagen het aantal Tamil-aanslagen in.

In het grootste deel van de geschiedenis waren religie, cultuur en politiek vrijwel onscheidbaar vermengd, benadrukt Armstrong in bijna ieder hoofdstuk. Natuurlijk zijn allerlei misdaden door godsdiensten goed gepraat. Maar betekent dit dat die misdaden de essentie van godsdienst zijn? Godsdienst was een gezamenlijke levenswijze, niet een theorie waarvan je anderen moest overtuigen. De eerste ideeën over scheiding tussen kerk en staat en het individuele karakter van geloof stammen uit de zestiende en zeventiende eeuw.

Ongelijkheid

Een centraal punt in haar betoog is iets dat zelden in schoolklassen wordt onderwezen, maar wat wel de bittere historische waarheid is: de meest fundamentele basis van geweld is de maatschappelijke ongelijkheid waarop al sinds duizenden jaren de menselijke beschaving is gebaseerd. Al in de eerste landbouwstaten kon een klein deel van de bevolking zich geestelijk ontwikkelen, kunst maken en kennis verzamelen, door een deel van de oogst in beslag te nemen. We kijken nu met plezier naar hun beschaving. Maar door dezelfde machthebbers werden boerenopstanden bloedig neergeslagen, aangrenzende gebieden gebrandschat en geplunderd. Andere manieren om welvaart te verzamelen waren er nauwelijks.

En juist wanneer er door de industriële revolutie meer welvaart komt, ontstaat er een agressief nationalisme en kolonialisme, die samen ook veel ellende veroorzaken. Natuurlijk werd dat ook allemaal goed gepraat door godsdienstige ideeën. Maar een sterk retorisch punt van Armstrongs betoog is dat ze haarfijn duidelijk maakt dat de weerstand tegen onrecht vaak óók religieus geïnspireerd is. Je kan godsdienst niet zo makkelijk de schuld geven. Boeddhisme en het Jaïnisme in India, sommige Joodse profeten, Jezus, en ja: ook Mohammed (van wie in de laatste decennia vooral de agressieve kanten worden benadrukt): allemaal idealisten die zich tegen het machtsysteem van de onderdrukkende staat richten. Fijntjes merkt Armstrong op dat de onmenselijke behandeling van de Zuid-Amerikaanse indianen door de Spaanse conquistadores werd gerechtvaardigd door veel humanisten, toch zo’n beetje de voorlopers van de seculiere Verlichting, en dat de belangrijkste weerstand kwam van paters en priesters. De grote voorvechters van de Amerikaanse vrijheidsstrijd deden niets tegen de slavernij. Dat deden protestantse idealisten wel.

Massamoorden

De grootste massamoorden staan niet op naam van godsdiensten, maar zijn aangericht door koloniale machten en door politieke ideologieën als het nazisme en het zelfs expliciet atheïstische communisme. In de oudheid werden hele bevolkingen uitgeroeid uit pragmatische militaire overwegingen. Als een moderne kerkvader Augustinus in zijn beroemde boek De civitate dei beschrijft Armstrong de gruwelijke geschiedenis van de staatsagressie. De godsdienst was er mee verweven, maar protesteerde ook. Wiens schuld is het dan?

In naam van God is een onverwacht mooi boek geworden. Zoals Armstrong in haar slothoofdstuk samenvat: ‘Het probleem is niet de veelzijdige activiteit die we religie noemen, maar het geweld dat besloten ligt in onze menselijke aard en de aard van de staat, die vanaf het begin de gewelddadige onderwerping van negentig procent van zijn onderdanen vereiste’.

En ze legt uit wat ook elders in verstandige analyses is te lezen: de huidige terroristen hangen een uitgeklede, fundamentalistische islam aan waarin de overgrote meerderheid van moslims in heden en verleden zich niet kan herkennen. Het doden van burgers geldt als een taboe in de islam. Niet dat islamitische staten zich daar aan hielden, verre van dat, maar als er tegen geprotesteerd werd, was dat altijd met religieuze argumenten. Religie staat ook vaak aan de moreel goede kant, wil Armstrong maar zeggen. De huidige fundamentalistische islam heeft religieuze inspiratie, maar is in essentie een politiek geïnspireerde verzetsbeweging tegen westerse koloniale machten. We kijken naar de complexe gevolgen van eeuwen zelfzuchtig en gewelddadig kolonialisme. Is dat een zuiver religieus conflict? Nee.