Ga jij nu maar naar Spanje, zei mijn vader

Eric Vaarzon Morel (53), flamencogitarist en -componist van Nederlandse bodem, vertelt in zijn nieuwste voorstelling over zijn bestaan in twee landen. „Natuurlijk is het gek dat een buitenlander zo nodig wil doordringen tot de Spaanse ziel.”

 

Lotsbestemming

„Vanaf mijn veertiende ben ik flamencogitarist en ik heb nooit wat anders gedaan. Gek natuurlijk, voor een jongetje van de Plantage Muidergracht in Amsterdam-Oost. Ik denk dat het mijn lotsbestemming was. Op mijn negende kocht mijn vader bij Carlo Mell in de Pijp een gitaar voor me. Een Spaanse, toeval of niet. Mijn moeder danste flamenco, voor haar plezier. Van mijn opa had ik ooit een lp gekregen van Manitas de Plata, een flamencogitarist die onlangs is overleden. Op de middelbare school ging ik naar oude flamencozangers luisteren, terwijl het de tijd was van de soul en de funk. Maar mijn hoofd stond daar niet naar, mijn hoofd stond naar Spanje.”

Warmoesstraat

„Mijn klasgenoten speelden elektrische gitaar in bandjes, ik speelde flamencomuziek in Spaanse restaurants op de kop van de Warmoesstraat, samen met de Spaanse gastarbeiders die in de Fordfabriek werkten. Aanvankelijk ging ik mee in het kielzog van mijn moeders dansgroep. Mijn vader, die kunstschilder is, zat er vaak bij en tekende de Goya-achtige koppen van die mannen. Ik mocht met ze meedoen omdat ik zo leuk solootjes kon spelen. Al die muzikanten werden goede vrienden. El Catalán, Chicla, El Tete... Tegen mijn ouders zeiden ze: ‘Als die jongen echt flamencogitarist wil worden, moet-ie naar Spanje.’”

Schildersfamilie

„Niet alleen mijn vader is schilder, mijn opa en overgrootvader waren het ook. Op één generatie na waren mijn voorvaders sinds 1780 allemaal kunstenaars. Mijn vader is bekend geworden door zijn schilderijen van paarden. Bij ons thuis stond in de huiskamer een opgezet paard, met een koets erachter. In de zomer zetten mijn broers en ik dat beest weleens voor de grap voor het open raam, met zijn hoofd naar buiten. Mijn vader tekende elke dag een paard; om ergens goed in te worden moet je dagelijks oefenen, vond hij. Dus toen ik zakte voor mijn eindexamen, gaf hij me driehonderd gulden en zei: ‘Ga jij nu maar naar Spanje, je doet toch niets anders dan gitaar spelen.’ Dat vind ik nog altijd bijzonder. Ik was dolblij natuurlijk, ik ging mijn droom tegemoet.”

Plaza Real

„Zo vertrok ik op mijn negentiende naar Madrid. Ik vond een pension in de rosse buurt, vol restaurants en bars. De eerste avond al nam iemand me mee naar een tentje in een donkere straat achter het Plaza Real, waar vier zigeuners flamencomuziek maakten, twee gitaristen en twee zangers. Ze vroegen waarom ik een gitaar bij me had – die heb ik altijd bij me – en ik vertelde dat ik flamencogitarist wilde worden. ‘Laat eens wat horen’, zeiden ze. Ik durfde geen flamenco te spelen, maar ik kende gelukkig ook wat klassieke stukken. Voortaan mocht ik elke avond met hen meespelen. Dat heb ik vier maanden gedaan, van elf uur ’s avonds tot vijf uur ’s ochtends. Er kwam nauwelijks publiek maar het was een fantastische leerschool en ik verdiende er ook nog wat peseta’s mee.”

Kolenschuur

„De echte flamencomuziek komt niet uit Madrid maar uit Andalusië, ontdekte ik. Na een jaar ging ik daarheen, naar Sevilla. Ik werd opgenomen in het gezin van Paco Lira. Hij was de eigenaar van een flamenco-etablissement, La Carbonería, een verbouwde kolenschuur. Daarboven, op de grote zolder, woonde hij met zijn vrouw en kinderen. Het werd mijn tweede thuis, en Paco Lira werd mijn tweede vader. Hij was un flamenco in de ware zin van het woord: iemand die dag en nacht leeft met de flamenco. Ook al kon hij zelf niets, hij speelde geen gitaar, zong niet, danste of klapte niet. Maar hij kende wel tot in detail de geschiedenis van de flamenco vanaf 1936. Daarbij was hij een soort mecenas; al zijn geld ging in het etablissement en hij ondersteunde armlastige artiesten. Van deze man heb ik alles geleerd. Dankzij hem weet ik wat flamenco is en hoe je het moet beleven. Hij leerde me kijken en luisteren. Dat kon hij heel goed: alleen maar kijken en luisteren.”

Waterdrager

„Na drie jaar ging ik weer geregeld terug naar Nederland. Natuurlijk heb ik overwogen om daar te blijven, maar uiteindelijk, na tien jaar pendelen, heb ik gekozen voor Nederland. In Spanje zijn duizenden goede flamencogitaristen, hier waren voor mij gewoon meer kansen om voet aan de grond te krijgen. En ik had te vaak gezien hoe buitenlandse gitaristen die getrouwd waren met een Spaanse danseres nooit verder waren gekomen dan de tablao om de hoek. Maar ik ben altijd evenveel van Spanje blijven houden als van Nederland. In mijn voorstelling De waterdrager, vertel ik hoe ik langzamerhand gehecht raakte aan het leven en musiceren in die twee werelden. Het liefst sprenkel ik Hollands water over de droge vlakten in Andalusië om in het voorjaar de bloeiende jasmijn met zijn verliefd makende geur mee terug te nemen naar Nederland.”

Duende

„De essentie van de flamenco, de ‘soul’, duende in het Spaans, zit ’m niet in techniek. Het is een gevoel. Ik herinner me hoe Paco Lira me ooit tijdens een festival een vrouw van in de tachtig aanwees, de madrona van een zigeunerdynastie, die met één handbeweging de mensen in vervoering bracht. ‘Dit is de ware flamenco’, zei hij. Ik had aanleg voor de techniek, daar kreeg ik van begin af aan complimenten voor, maar de duende kreeg ik pas in mijn vingers nadat ik jaren in La Carbonería had doorgebracht in het gezelschap van flamenco-artiesten, dichters, schilders, acteurs, stierenvechters. Flamenco gaat zoals alle kunst over smart, liefde, pijn en dood. Het helpt als je dingen hebt meegemaakt. Ik heb een prachtige jeugd gehad, met mijn drie broers en mijn ouders op de Muidergracht. Kon niet mooier. Daar stond ik nooit bij stil, tot in 1992 mijn jongste broer overleed na een motorongeluk. Daarna kreeg mijn moeder kanker en ging dood. Zeven jaar geleden werd mijn vrouw ziek. Die gebeurtenissen hebben mijn muziek verrijkt en me langzamerhand het vermogen gegeven om mensen te ontroeren.”

Soledad

„Natuurlijk is het gek dat een buitenlander zo nodig wil doordringen tot de Spaanse ziel. Spanjaarden zijn niet de makkelijkste mensen wat dat betreft, ze hebben me lang als buitenstaander gezien, sommigen doen dat nog altijd. Daar heb ik me nooit echt door laten weerhouden, omdat ik me één voelde met de flamencomuzikanten. Desondanks kan ik me best eenzaam voelen in mijn bestaan van flamencogitarist. La soledad, eenzaamheid, is een begrip in de flamenco. Mijn grote voorbeeld Paco de Lucía was ook eenzaam, blijkt uit de documentaire die onlangs bij het IDFA in première ging. De hommage aan hem die ik twee jaar voor zijn dood schreef heette ook al ‘Soledad’.”

Zoektocht

„In mijn jonge jaren heb ik Paco de Lucía een paar keer ontmoet. Hij drukte me op het hart om hem niet te imiteren maar mijn eigen noten te spelen, zoals zijn leermeesters ook tegen hem zeiden: ‘Wijk af van de regels.’ Ook daarom hou ik van flamenco: het stimuleert de vrije geest. Ik ben steeds meer mijn eigen muziek gaan maken, en heb uiteindelijk mijn kunstenaarschap gevonden, hoe pretentieus dat misschien ook klinkt. Al is de zoektocht natuurlijk nooit ten einde. Mijn vader tekent ook nog elke dag een paard.”