Eén vierkante kilometer vol verhalen

In het Zeeuwse Dreischor is een vierkante kilometer platteland in kaart gebracht. Historie, natuur, bodem, sociaal leven. De verbindingen met de rest van de wereld springen in het oog.

Luchtfoto van de zuidkant van het dorpje Dreischor. De tekening links toontde vierkante kilometer die in kaart is gebracht.
Luchtfoto van de zuidkant van het dorpje Dreischor. De tekening links toontde vierkante kilometer die in kaart is gebracht. Google

Vanaf de parkeerplaats aan de rand van Dreischor overziet Joop Schaminée, hoogleraar vegetatiekunde en verbonden aan de Universiteit Wageningen, de Radboud Universiteit en onderzoeksbureau Alterra, zijn onderzoeksterrein: een vierkante kilometer platteland op Schouwen-Duiveland in Zeeland. Op het eerste gezicht is er niets opvallends te zien. Akkers, een kreek, een weg die het gebied doorkruist en de spitse toren van de veertiende-eeuwse Sint-Adriaanskerk springen in het oog. Maar, zegt Schaminée, als je goed gaat kijken blijkt dat zo’n willekeurige plek op het platteland vol verhalen zit en op allerlei manieren in heden en verleden met de buitenwereld is verbonden. „Zo zijn in de achttiende eeuw tien dorpsbewoners met de VOC naar de Oost gevaren, en de ganzen die in de akkers neerstrijken komen uit het hoge noorden. Dit stuk land aan de zuidkant van Dreischor is als het ware een venster op de wereld.”

Schaminée en zijn medeprojectleider, bioloog Anton Stortelder van Alterra, hebben het afgelopen jaar met zeventien andere wetenschappers, variërend van historici tot recreatiedeskundigen, de vierkante kilometer op allerlei manieren geïnventariseerd. Ze hebben de natuur, de bodem, de historie en het sociale leven in kaart gebracht en met de mensen gesproken die in de vierkante kilometer leven, wonen en werken, om te achterhalen hoe zij tegen hun omgeving en het verleden aankijken. Het boek erover verscheen drie weken geleden. Het laat zien dat een klein stukje Nederland rijker aan verhalen, natuur en geschiedenis is dan je op het eerste gezicht zou denken. Schaminée vindt daarom dat overheden voorzichtig moeten zijn met beslissingen over het kwetsbare landschap van zo’n ‘doorsnee’ plaats.

„Kom, laten we even langs de grenzen van de kilometer lopen”, zegt hij. Aan de rand van het dorp zijn veel zwartgeteerde houten schuren. „Overblijfselen uit de tijd dat hier nog volop vlas werd verbouwd”, legt Schaminée uit. De Zeeuwse klei was zeer geschikt om vlas te verbouwen en Dreischor was begin twintigste eeuw het centrum van de vlasteelt op Schouwen-Duiveland. Zo’n zeventig ‘vlassers’ in het dorp kochten het gewas op bij de boeren in de omgeving en bewerkten het. Daarbij waren zeker 32 handelingen nodig. „Oude termen als repelen, roten en zwingelen komen uit de vlasbewerking”, vertelt Schaminée. Vooral Rotterdamse handelaren kochten het bewerkte vlas uit Dreischor op, om het daarna naar Engeland, Schotland, Ierland en Frankrijk te exporteren. Maar in de jaren vijftig kwam er goedkoop vlas uit Rusland op de markt en stortte de vlasbouw en -verwerking rond Dreischor in.

Als herinnering aan de gouden tijd is er ieder jaar nog een vlasdag in het dorp. De 83-jarige Rinus Quist laat dan de lokale bevolking en toeristen zien hoe hij vroeger het vlas bewerkte. Schaminée: „De schuren en de vlasdag zijn tekenen van nostalgie. Door ons project overweegt het Zeeuws Landschap weer op kleine schaal vlas te gaan verbouwen. Dan krijg je weer dat prachtige blauw in het landschap.”

Bij de Zuidstraat siert een grote geschilderde muurreclame van Solo het hoekpand. „Dat is een margarinemerk uit het begin van de twintigste eeuw. Tot 2010 zat hier nog een winkel, de laatste in Dreischor. Sommigen van de ruim vierduizend bewoners vinden het wel erg stil worden in het dorp.”

Linksaf vormt de Boogerdweg de westrand van de kilometer. Hier is de begraafplaats. Achteraan, in een apart groepje, liggen de doden van de Watersnoodramp. „Elf”, zegt Schaminée. „De lichamen van eenentwintig andere slachtoffers zijn nooit teruggevonden of elders begraven. De Ramp domineert nog steeds alles.”

Vlashuttentut

De wilgen op de begraafplaats mogen de indruk wekken oud te zijn, maar niets van wat rond Dreischor groeit en bloeit dateert van vóór 1 februari 1953. „Het gebied heeft bijna een jaar onder het zoute zeewater gestaan.” Kenmerkende boomsingels, struwelen en bosjes zijn hierdoor verdwenen. Ook is het vergeefs zoeken naar kleine wolfsmelk en nachtsilene. Maar niet alleen de Watersnoodramp heeft plantensoorten doen verdwijnen. Door de teloorgang van de vlasbouw treffen de onderzoekers op de akkers ook geen vlasdolik of vlashuttentut meer aan. „Op de begraafplaats is wel een nieuwe korstmossoort voor Zeeland gevonden.”

Op de grafstenen herinnert een naam als Cornelis van Blooij aan de tijd dat tien ‘Reissenaren’ met de VOC naar de Oost trokken. „Slechts één is heelhuids naar Dreischor teruggekeerd. Vermoedelijk waren de plattelanders uit Dreischor minder goed opgewassen tegen de ontberingen onderweg dan bemanningsleden uit maritieme steden als Vlissingen, Kopenhagen en Hamburg.”

De Zuiddijk vormt de zuidelijke rand van de kilometer. De familie Van de Velde boert er al vier generaties. De overgrootvader begon met een klein gemengd bedrijf, dat in de jaren tachtig onder zijn kleinzoon Krijn-Jan uitgroeide tot een van de grootste spruitentelers van Zeeland. Toen die er rond 2000 geen toekomst meer in zag, raadde de buurman, consultant bij een Japans bedrijf, hem wijnbouw aan. Krijn-Jans zoon Johan, die tot dan vooral was opgevallen als punker met groen haar, ging het vak in de praktijk leren bij een Luxemburgse wijnboer. Dertien jaar na het planten van de eerste wijnstokken wordt de witte wijn van de Kleine Schorre geschonken in het sterrenrestaurant van het Wereldmuseum in Rotterdam en op trans-Atlantische vluchten van de KLM. „Bodemonderzoek heeft aangetoond dat een schelpenlaag voor een goede kalkrijke bodem zorgt. Koudebestendige druivenrassen als Pinot grigio groeien daar goed op.”

Ruim honderd meter verder is een houtzagerij. „Dit was de haven van Dreischor. Hier is in 1953 de eerste doorbraak van Polder Dreischor geweest. Nooit meer, hebben ze daarna gedacht, en met het puin van de overstroming is de haven gedempt.” Wat rest is een bakstenen huisje, dat vroeger als pakhuis dienst deed.

Korenmolen

Naast de houtzagerij groeien bramenstruiken. „Nederland telt 194 soorten; Dreischor kent maar drie soorten, maar daartoe horen wel twee van de drie Nederlandse soorten die zich via seksuele reproductie voortplanten.” Bij de houtzagerij groeit de dijkviltbraam, Rubus armeniacus. „Na de jaren vijftig door tuincentra uit Armenië geïmporteerd vanwege zijn grote vruchten. Hij is daarna verwilderd.”

Lopend langs een spruitjesveld aan de oostkant van de kilometer duikt de witte molen de Aeolus op. De korenmolen is van 1739 tot 1962 in gebruik geweest. „De huidige molenaar is opgegroeid in Schuddebeurs, een dorp verderop. Voor hem was Dreischor vroeger de vijand; op de dijk, de grens, vochten de jongens uit de twee dorpen tegen elkaar. Nu is hij voorzitter van de Oranjevereniging van Dreischor, lid van de toneelvereniging en voelt hij zich een echte Reisenaar.”

Het onderzoek heeft een caleidoscoop aan verhalen opgeleverd, zegt Schaminée. „Ze maken duidelijk dat de lokale bewoners met hun omgeving zijn vergroeid en andere waarden aan het landschap toekennen dan wetenschappers. Criteria als zeldzaamheid van een soort of een hoge aardkundige waarde spelen minder een rol. Ze hechten vooral aan hun beschermde dorpsgezicht, historische gebouwen en een opbouw van het landschap met streekeigen elementen. Verder zijn plekken waar iets is gebeurd, mooi of niet, belangrijk.”

De vierkante kilometer van Dreischor is slechts één van de veertigduizend die Nederland rijk is. Een volgende locatie is al gekozen door de groep wetenschappers. Ze trekken naar het Limburgse Steijn.