Een koelkast die melk bestelt, handig?

Op gadgetbeurs CES domineert het Internet of Things. Alle apparaten, objecten, dieren en planten moeten online. Dan waarschuwt je plant zelf wanneer hij water nodig heeft. Maar wat voegt het toe?

De CES, de grootste gadgetbeurs ter wereld in Las Vegas, trok afgelopen week 160.000 mensen die zich vergaapten aan de nieuwste tech-snufjes. Foto AP Photo/John Locher
De CES, de grootste gadgetbeurs ter wereld in Las Vegas, trok afgelopen week 160.000 mensen die zich vergaapten aan de nieuwste tech-snufjes. Foto AP Photo/John Locher

Glimmende dingen met een stekker, daar houden de bezoekers van de Consumer Electronics Show (CES) van. De grootste gadgetbeurs ter wereld, afgelopen week in Las Vegas, trekt 160.000 mensen die zich graag vergapen aan grote tv’s, audioapparatuur en computerbrillen.

Dit jaar drommen de CES-gangers samen bij een bluetoothpleister voor baby’s, die de temperatuur en hartslag van het kind doorgeeft naar je smartphone. En ze staren naar de  Ficus benjamina, een treurwilg die een trucje kan: hij drinkt zelf uit de fles en geeft een seintje als het water op is.

Slimme pleisters en slimme planten staan symbool voor het Internet of Things, de modekreet die gebruikt wordt voor het koppelen van objecten via IP, het internet protocol. Alles, werkelijk alles gaat online op deze editie van CES.

Als het aan de fabrikanten ligt, krijgt het hele huishouden draadloze sensoren: koelkasten, wasmachines, rookmelders, verwarming, verlichting, deursloten en beveiligingscamera’s vormen samen een smart home.

Fornuis voor mannen

De elektronica-industrie werpt zich met overgave op het internet of things. Bedrijven als Samsung, LG, maar ook Google en Apple proberen hun greep op ons leven te vergroten. Ze moeten wel: de omzet van de populairste consumentenelektronica (smartphones, tablets en tv’s) groeit amper; met pijn en moeite werd in 2014 wereldwijd krap 1 procent meer aan elektronica omgezet dan in het jaar ervoor.

Hoogste tijd dus voor nieuwe productgroepen – op CES zie je meer mannen achter het fornuis dan waar ook ter wereld. Maar het is dan wel een fornuis dat met je smartphone kunt bedienen.

Het internet of things biedt groeimogelijkheden. Onderzoeksbureau IDC voorspelt dat er in 2020, met een natte vinger, 30,1 miljard objecten online zullen zijn en dat de totale omzet 3.400 miljard dollar bedraagt, een groei van 13 procent per jaar. Hierbij telt IDC overigens wel de industriële toepassingen mee.

Liever ‘smart’ dan moe

Wat voegt het internet of things toe aan het dagelijks leven? Fabrikanten van consumentenelektronica zijn geneigd privacy- en veiligheidsrisico’s te bagatelliseren. De smart home-scenario’s die CES ons voorschotelt, worden er met de haren bij gesleept: een koelkast die zelf de boodschappen bestelt, de auto die de verwarming in huis alvast hoger zet als je van je werk wegrijdt, en lampen die oplichten en muziek die begint te spelen zodra je de voordeur opendoet. Vaak is ‘smart’ een eufemisme voor lui.

Simpelweg elk object online toegankelijk maken, heeft weinig zin. Samsung-topman BK Yoon hield een pleidooi voor standaardisering en uitwisseling van data. Hij weet dat consumenten in de praktijk apparaten van verschillende merken in huis hebben die niet met elkaar ‘praten’, zelfs al hangen ze aan hetzelfde netwerk.

Het internet of things wordt pas echt zinvol als data van alle gekoppelde sensoren ingezet kunnen worden om gedragspatronen te herkennen. Zo kun je, volgens een voorbeeld van Samsung, de tv een geschikte film laten suggereren op basis van je activiteitenpatroon van die dag, het aantal mensen in de kamer en de temperatuur in huis. Of dát dan toegevoegde waarde levert, is nog maar de vraag.

Ook witgoedfabrikanten ontwikkelen hun eigen standaarden om apparatuur met elkaar te verbinden en op afstand in de gaten te houden. Geen van de fabrikanten wil de regie kwijtraken. Zolang de markt versnipperd blijft, levert het slimme huis meer problemen dan gemak op. Moet je een koelkast uitkiezen die bij je smartphone past? Ruil je de vaatwasser in omdat-ie niet meer met de thermostaat ‘praat’? De fragmentatie zorgt voor configuratieproblemen en dat weerhoudt veel consumenten ervan om van hun huis een smart home te maken.

35 jaar op één batterij

Ook Nederland doet mee met de internet of things-rage. Het Utrechtse bedrijf GreenPeak produceert (in China) draadloze chips die extreem weinig energie verbruiken. De batterij van zo’n chip gaat 35 jaar mee, langer dan het product zelf.

Oprichter Cees Links staat op de CES in de stand van Zigbee, de technologie waarmee de meeste draadloze sensoren communiceren.

Hij begrijpt de scepsis over het smart home – wat heb je eraan als je koelkast zelf meldt dat-ie aan vervanging toe is? Je merkt het wel als hij stuk gaat. Toch is Links optimistisch over het slimme huis en het internet of things. Het gaat alleen niet zo snel als de hype doet vermoeden: „Iedereen zegt: ‘Technologie gaat zo hard, de wereld verandert zo snel’. Dat is grote nonsens. We bouwden de eerste wifi-chip in 1991. Ik heb acht jaar wifi lopen verkopen en kreeg telkens te horen dat het niet betrouwbaar was en mensen waren bezorgd dat de vullingen uit hun kiezen zouden trillen. Pas nu heeft elk huishouden, wereldwijd, gemiddeld tien wifi-chips.”

Als de voorspellingen kloppen, heeft in 2030 elk huishouden gemiddeld 100 draadloze sensoren. „70 of 80 miljard chips”, zegt Links.

Energie besparen of ouderenzorg

GreenPeak levert chips voor een praktische toepassingen, zoals de alarmsystemen. Volgens Links is de Amerikaanse markt vooral gericht op beveiligingsdiensten, willen Europese consumenten hun huis slimmer maken om energie te besparen en is in Azië veel interesse voor zorgdiensten waarmee ouderen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen.

„Wij zijn de loodgieters, wij knopen de infrastructuur aan elkaar”, zegt Cees Links. Oftewel: het internet of things doet niks vanzelf. Eerst moeten er applicaties ontwikkeld worden, daarna moeten die applicaties ook elkaars data gaan gebruiken. Vervolgens moet het een paar keer goed mis gaan: veiligheidsproblemen, gehackte huizen, privacyschandalen en geruzie tussen concurrerende formats en standaarden.

Veel techblogs reageerden sceptisch op het hoofdthema van de Consumer Electronics Show. Ze krijgen nu al hoofdpijn bij de gedachte dat ze jarenlang apparaten moeten uitproberen en installeren waarvan de meerwaarde onduidelijk is. De techies moeten nog even geduld hebben voor het internet of things net zo makkelijk werkt als het ‘gewone’ internet. En ondertussen niet vergeten de treurvijg water te geven.