Dit is het internet

Ons digitale leven speelt zich af in de ‘cloud’, maar het internet is minder virtueel dan we denken. Het bestaat uit knooppunten en kabels die continenten, wereldzeeën en politieke grenzen doorkruisen. Het internet wordt gebouwd door mannen met hun voeten in de modder. Op Goeree-Overflakkee bijvoorbeeld.

 

Een 2,5 kilometer lange glasvezelkabel wordt vanaf het midden van het Haringvliet naar de zuidkant gepompt. De kabel van energiebedrijf Stedin wordt in totaal 5 kilometer lang.
Een 2,5 kilometer lange glasvezelkabel wordt vanaf het midden van het Haringvliet naar de zuidkant gepompt. De kabel van energiebedrijf Stedin wordt in totaal 5 kilometer lang.

Op zijn hurken, telefoon aan het oor, zit Stanley van Geloven (55) naast een zwarte buis die uit modderige weilandgrond steekt. De afgelopen tien minuten ijsbeerde hij langs de buis, pratend in de telefoon. Hij wacht op een internetkabel van glasvezel. Die kan elk moment uit de buis tevoorschijn komen.

We zijn in Middelharnis, op het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee, in een weiland dat grenst aan het Haringvliet, de voormalige zeearm. Aan de andere kant van de telefoon, 2,5 kilometer verderop, staan Van Gelovens collega’s, op een werkeiland midden op het Haringvliet. Daar bedienen zij de apparaten die de internetkabel door de buis stuwen.

Nog een paar meter. Dan floept hij eruit. Stanley grijpt het uiteinde en trekt de 2,5 kilometer lange kabel met één hand verder de buis uit. Alsof hij niks weegt. Hij lacht tevreden, de eerste helft van het werk van vandaag zit erop.

Internet is overal. Maar als je het internet zoekt, wáár moet je dan kijken? Op het web lijkt alles dichtbij. Met een muisklik zit je in Amerika, India, IJsland of Australië. Tegelijkertijd is het web immens groot, een immer uitdijend universum. Virtueel en ongrijpbaar. Maar het internet is helemaal niet zo virtueel als we denken.

Ons werk en onze mail staat dan wel steeds vaker ‘in de cloud’, maar die cloud bevindt zich gewoon op de grond, in grijze datacentra met zoemende harde schijven. Je laptop en telefoon zijn dan wel draadloos met het internet verbonden, maar alleen de laatste meters gaan daadwerkelijk zonder draden. Via ontelbare fysieke kabels en knooppunten zijn alle computers verbonden met alle computers.

Het wemelt in de Nederlandse bodem van de internetkabels. Ze lopen van je huis naar het verdeelkastje, en dan naar de kabel die de wijk met de rest van de stad verbindt, en verder, naar alle kanten van het land. De kabels liggen langs snelwegen en langs het spoor. Want hoe rechter de kabel ligt, hoe korter de afstand tussen twee punten en hoe sneller de datastroom – het scheelt fracties van seconden.

Het internet stopt niet in Groningen, Maastricht of Den Helder. De kabels liggen door Europa en overbruggen oceanen. Alleen al tussen Europa en de Verenigde Staten liggen vijftien zeekabels. Hoe ziet dat fysieke internet eruit? En hoe leg je zo’n kabel neer?

Storingen

Midden op het Haringvliet komen de virtuele wereld en de fysieke vandaag even samen. Tussen de ene en de andere oever ligt ruim vijf kilometer water. Netbeheerder Stedin legt er een nieuw elektriciteitsnetwerk aan en alles wat daarin gebeurt (temperatuur, eventuele storingen) wordt nauwgezet gemonitord. Als het even kan worden storingen op afstand verholpen. Daarvoor moeten continu gegevens van en naar de centrale controlekamer worden gestuurd. Via internet natuurlijk.

Een elektriciteitsnetbeheerder belt dan niet met Telfort, Tele2 of UPC of ze op het internet aangesloten kunnen worden – ze willen een zo betrouwbaar mogelijke verbinding, en leggen die dus zelf aan, door het Haringvliet. Dat lijkt op zichzelf eenvoudig: leg vijf kilometer kabel op een schip en vaar naar de overkant terwijl je langzaam de kabel afrolt. Het ding zinkt naar de bodem, klaar is Kees.

Maar het is ingewikkelder. Voor een ‘gewone’ zeekabel, in de Noordzee of de Atlantische Oceaan, wordt een soort sleuf gegraven. Maar in het Haringvliet is dat geen optie, omdat het beschermd natuurgebied is. De kabel om het Haringvliet heen leggen is te duur en onpraktisch. Dus moest de kabel onder de bodem door.

Ponton

Stedin en hun infrabedrijf Joulz hebben samen met Visser & Smit Hanab en VolkerWessels Telecom een flink boortraject achter de rug. De elektriciteitskabels liggen al onder de grond. Er wordt gewerkt vanaf een ponton in het midden van het Haringvliet, omdat de boor niet vijf kilometer aan één stuk kan boren. Twee mannen zijn bezig de elektriciteitskabels in het midden zo aan elkaar te lassen dat er veilig 150.000 volt doorheen kan.

Nu de internetkabel nog. Op het werkeiland ligt vijf kilometer glasvezelkabel te wachten. Glasvezel aan elkaar lassen betekent verlies van signaalsterkte, dus deze kabel bestaat niet uit twee keer 2,5 kilometer maar uit één stuk. Het plan: het ene uiteinde van de kabel vanaf het midden naar de ene oever duwen, en het andere einde naar de andere oever, 2,5 kilometer twee kanten op. De beschermende mantelbuis waarin de glasvezel komt te liggen is al aangelegd, tegelijk met de elektriciteitskabels.

De opening waar de glasvezelkabel straks doorheen moet is zo’n vijf centimeter breed. De internetkabel zelf heeft het formaat van een dunne tuinslang – de glasvezels in de kern ervan zijn zo dun als een haar.

Denk aan een touwtje dat uit een capuchontrui of trainingsbroek is geschoten en dat je er met geen mogelijkheid meer in terug krijgt. Hoe lukt dat toch? In dit geval: met heel veel water. Floating heet de techniek; de glasvezelkabel ‘drijft’ door de mantelbuis. De techniek is nog vrij nieuw, en bedacht door het Zwitserse bedrijf Plumettaz, dat ook de apparatuur levert die Stanley van Geloven en zijn mannen vanmorgen vroeg op het werkeiland hebben geïnstalleerd.

Naast de enorme haspel met glasvezelkabel – met een machine om hem af te rollen – staan twee apparaten: een waterpomp en een mechaniek met een brede ketting erop die de kabel desgewenst een extra zetje kan geven. De waterpomp vormt het hart van de operatie – en maakt ook veruit het meeste lawaai. Hij zal straks water uit het Haringvliet in de mantelbuis pompen. Aan het uiteinde van de glasvezelkabel dat het eerste de buis in gaat, wordt straks een soort parachuutje bevestigd, een sonic head. De waterpomp stuwt het water tegen het parachuutje. Dat gaat dan open en schuift verder de buis in, de glasvezelkabel achter zich aan trekkend.

Met 85 liter per minuut wordt Haringvlietwater de buis in gepompt. De kabel, voortgestuwd door het parachuutje, legt zo’n 25 meter per minuut af; anderhalve kilometer per uur. Nog een uur en drie kwartier te gaan.

„Het is nog nooit gedaan maar in theorie kun je met deze technologie onder de Noordzee door”, denkt Van Geloven. „Als de kabel die je trekt maar hetzelfde soortelijk gewicht heeft als water, dan heb je geen weerstand in de buis en kun je heel ver komen.”

Kille relatie

Over de hele wereld worden kabels zoals deze aangelegd. Ook oorlogszone Syrië is aangesloten en heeft een directe zeekabelverbinding met Egypte, Libanon en Cyprus. Er ligt, ondanks hun kille relatie, een zeekabel tussen Irak en Iran, die doorgaat naar India. De verhoudingen tussen Rusland en de rest van de wereld zijn ingewikkeld, maar stevige internetlijntjes verbinden Rusland met Engeland, Finland en Japan. China erkent Taiwan niet, maar er zijn wel twee zeekabels die hen verbinden. Alleen in Noord-Korea komt geen enkele zeekabel aan land, en tussen Cuba en de Verenigde Staten ligt nog geen directe lijn.

Een centrale plek waar ‘het internet’ samenkomt bestaat niet. Er is geen aan/uitknop. Als een kabel kapotgaat, zoekt het internetverkeer zijn weg door andere kabels. Zoals auto’s hun weg zoeken rond een wegafzetting.

Dit ‘decentrale’ karakter van het internet stamt uit de Koude Oorlog. Toen het Rusland eerder dan de VS lukte om een satelliet te lanceren, gingen de Amerikanen als een razende investeren in ruimtevaart en militaire techniek. Er moest een computernetwerk komen waarmee universiteiten in heel Amerika konden samenwerken aan militaire projecten.

Een belangrijke opdracht voor het ontwerp: als een onderdeel uitvalt, moet het netwerk blijven functioneren. Dit om te voorkomen dat buitenstaanders het in een keer plat konden leggen. Zo ontstond het idee voor een web waarin kleine pakketjes data hun eigen weg zoeken. Het maakt het internet tot op de dag van vandaag onverwoestbaar.

Maar de afzonderlijke onderdelen zijn wel kwetsbaar. Andrew Blum, auteur van het boek Tubes, bezocht alle belangrijke plekken van het internet. Hij kwam in zwaar beveiligde datacentra, maar stuitte ook op zeekabels die gewoon over het strand liepen, nadat de zee het zand dat er ooit overheen lag had weggespoeld. Net zoals de zee er in 2006 na een aardbeving bij Taiwan voor zorgde dat Azië een tijdje amper kon communiceren met de rest van de wereld. Twee belangrijke zeekabels liepen grote schade op.

De regio leerde ervan. Bij de grote Japanse aardbeving van 2011 liep ook een aantal kabels schade op, maar het internetverkeer had inmiddels voldoende goede omwegen en ondervond amper hinder. Anders dan de kerncentrales bleken de zeekabels van Japan tsunami-proof.

Beweging

Als ‘onze’ kabel ongeveer 1,5 kilometer onder het Haringvliet heeft afgelegd neemt de snelheid af. Als hij stil komt te liggen komt hij moeilijk weer in beweging, dus het is tijd voor extra druk. De tweede motor gaat aan en de ketting begint te lopen. Zorgvuldig wordt de glasvezelkabel over de ketting geleid die de kabel een duwtje in de rug geeft.

Met nog een half uurtje te gaan voordat de kabel het einde van de buis bereikt, is het tijd om naar de oever te varen. Aan de rand van een weiland is een flinke kuil gegraven. De mantelbuis steekt uit een wand van de kuil. Van Geloven heeft zijn collega’s aan de telefoon die voor hem de metertjes aflezen. Nog een paar meter.

Zodra Van Geloven het kabeluiteinde met het parachuutje beet heeft, zetten de mannen op het werkeiland de waterpomp uit. Maar de haspel blijft afrollen. In een grote acht wordt de resterende 2,5 kilometer glasvezelkabel op het werkeiland uitgespreid. Want het andere uiteinde moet de andere kant op. De mannen draaien de installatie om voor het tweede deel van de klus.

Als het over internet en technologie gaat, gaat het vaak over computers, telefoons en andere glanzende gadgets. Over inventieve robots in laboratoria vol ingewikkelde apparaten. Soms gaat het over datacentra en dan zie je foto’s met een spaghetti van gekleurde kabels en knipperende ledlampjes in smetteloze gangen. De internettechnologie die we hier zien is modderig. Het is grof, de afstanden zijn lang, de apparaten groot. Het is geen nanotechnologie, maar kilometertechnologie.