De vorstelijke stijl van Dresden in Groningen

Kunst moest het koninkrijk van de Saksisch-Poolse vorsten August II en III allure geven. Hun Italiaans ogende verzameling is nu te zien in het Groninger Museum.

Stel, je bent vorst van een klein koninkrijkje (Saksen) en via slim spel – bekering tot het katholicisme, het uitdelen van geld – schop je het eind zeventiende eeuw tot koning van Polen. Wat doe je dan om die positie op gepaste wijze aan te kleden? Juist: kunst inzetten ter glorificatie van je nieuwe rijk. Maar alle begin is moeilijk, blijkt uit het onbeholpen ruiterportret van de nieuwe Saksisch-Poolse koning August II uit 1728. Het paard steigert, de vorst is met goud behangen, alles wappert, maar artistiek schiet de terecht anoniem gebleven schilder tekort.

Met dit doek wordt in het Groninger Museum een tentoonstelling afgetrapt met de schilderijen die destijds zijn verzameld door de twee Saksisch-Poolse vorsten August II en III. De collectie is afkomstig uit de Gemäldegalerie Alte Meister in Dresden, de voormalige hofstad van deze koningen. Vooral tijdens de regeerperiode van zoon August III werd die stad een artistiek centrum – een succesvolle poging om de pracht van zonnekoning Lodewijk XIV te evenaren. En Dresden trok genoeg kunstenaars aan om de rest van de opdrachten succesvoller te laten verlopen. De portretten van August III en zijn vrouw worden in de tentoonstelling omgeven door stadsgezichten van hun Venetiaanse hofschilder Bernardo Bellotto, die Dresden schilderde vanaf de Elbe. Aan weerszijden van de rivier etaleerde hij de prachtigste gebouwen, naar voorbeeld van de vedute die in die tijd in Venetië werden geschilderd.

Italië was sowieso mode in de schilderkunst, zeker in de kunst die August II en III verzamelden: Carracci, Titiaan, Canaletto. De tentoonstelling toont zacht omrande italianiserende landschappen met door Noord-Europese schilders verzonnen Romeinse tempeltjes. Hun nieuwe katholieke geloof illustreerden de vorsten met lieflijke madonna’s en een huilende Christus van Guido Reni, vol pathos de boodschap van de Contrareformatie uitdragend. Al kochten ze soms ook meer barok werk, vuiler, dramatischer, zoals Ribera of Rembrandts magnifieke Roof van Ganymedes. Volgens de legende vermomde een verliefde Zeus zich tot adelaar om de knappe jongeling te ontvoeren. Sterk verhaal, moet Rembrandt gedacht hebben. Hij portretteerde Ganymedes als een blèrende en plassende peuter: meer vent krijgt zo’n vogel immers niet van de grond.

De vorsten zullen dit doek vooral gekocht hebben om Rembrandts faam, hun smaak was veel meer klassiek harmonieus. Wetend dat hun Italiaans uitziende collectie om strategische redenen bestond, bekijk je de tentoonstelling anders dan doorgaans in musea. En dat is interessant. Dan zie je hoe hun klassieke stijl uitdraagt dat het leven van de vorsten in alles – natuur, naakten, steden, bloemstillevens – eleganter is dan van gewone stervelingen. Juist klassiek georiënteerde schilders streefden naar een perfecte schoonheid. Bloemen uit verschillende seizoenen samen in één vaas? Bij August II en III kon dat. En die bloemstillevens en hun andere schatten toonden ze in een openbare collectie, wat lijkt te onderstrepen dat hun wereld net een treetje hoger stond dan die van alle anderen. Zo werkte de kunst.

En sommige kunst bleef dat doen. Het mooie van een historische tentoonstelling is dat er altijd een verhaal van gemaakt wordt, met een begin en een eind. Dat is wat suggestief, kunstgeschiedenis loopt door. Maar het rijk eindigde wel, in 1763, door de Zevenjarige Oorlog. Ook al schilderde Louis de Silvestre in 1757 de Romeinse vredesvorst Augustus als parallel met August III. En hofschilder Bellotto portretteerde in 1762 al even hoopvol de Saksische personificatie van onbuigzaamheid. Intussen stortte het rijk in, Dresden werd deels verwoest, August III stierf, maar als trouwe dienaar hield de kunst de grandeur van zijn ‘Florence aan de Elbe’ hoog.