Als het fatsoen opspeelt is niemand meer ‘Charlie’

Tot woensdagmiddag was ik hier dus een ironisch stukje van plan over de super-snelrecht-rite rond de jaarwisseling. Maar na de aanslag op Charlie Hebdo is dat acuut flauwekul geworden. Er is maar één onderwerp. Op het gevaar af dat alle columnisten vandaag hetzelfde stukje schrijven – excuus. De eerste golf emotie is voorbij – en daarmee ook de makkelijke antwoorden meteen na de schok. Zeker, we ‘zijn’ nu allemaal Charlie, althans dat voelen we zo. Dit is een aanval op de kern van de democratische rechtsstaat, zeker. De vrijheid om je mening te mogen geven is fundamenteel. Dit bedreigt ‘onze’ manier van samenleven, ook met moslims.

Terzijde: ik tik dit stukje in een geheel glazen gebouw, ontworpen op transparantie en publiekstoegang, midden in de stad. Uitgever en eigenaar wilden en kregen een ‘open gebouw’. Prachtig, maar tegen mannen met kalasjnikovs dus niet te beveiligen. Maar moet ik dat wel opschrijven? Veiligheid is een illusie, net als vrijheid. Voor alle journalisten is er na de Hebdo-aanslag iets veranderd.

Deze krant en deze column bepleiten steevast een land waar iedereen voor de wet gelijk is en waar je mag zeggen, schrijven en geloven wat je wilt. In Jezus van Nazareth, de paus en Allah net zo goed als in Gandalf, hobbits, elfen en de andere fantasyfiguren van de schrijver Tolkien. (Voordat de Leidse religiewetenschapper Markus Altena Davidsen er vorig jaar op promoveerde had ik van dit fantasy-geloof nog niet gehoord. Maar het bestaat. Echt.)

Een land dus waar de mensenrechten gelden en niet de Middeleeuwen – waar gedachten vrij geuit mogen worden. De wraakmoord op Charlie Hebdo is van hetzelfde kaliber als die op filmmaker Theo van Gogh. Bedoeld om opinieleiders de mond te snoeren en de rest bang te maken, in hun glazen huizen.

In onze rechtsstaat is onomstotelijk plaats voor rauwe en ongepolijste satire - voor zieke grappen, hatelijke columns en weerzinwekkende cartoons. Alleen als een beperking ècht ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’ is en dat ook nog netjes in een wet is vastgelegd, mag die totale vrijheid van Straatsburg worden ingeperkt. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat uitingsvrijheid niet misbruikt mag worden om er die vrijheid mee te vernielen. Met name politici hebben juridisch de plicht om voorzichtig met de democratie te zijn. De grondwet kan niet bedoeld zijn als zelfmoordpact - dat is de bottomline.

De gebruikelijke maatstaf is dat shockeren, kwetsen en verontrusten (shock, offend and disturb) iedereen is toegestaan. Maar aanzetten tot haat en geweld niet. In de loop van de geschiedenis van het Straatsburgse Hof is die maatstaf vooral gebruikt om de uitingsvrijheid in Europese lidstaten ruimer te maken. Voor religieuze taboes is feitelijk geen eigen, bijzondere beschermde ruimte meer. In een vrije democratie leven betekent dus dat iedereen moet kunnen incasseren. Ook orthodox gelovigen.

Degenen die de uitingsvrijheid volledig benutten, hebben daar overigens niet per definitie succes mee. Charlie Hebdo is een marginaal krantje waar weinig Fransen echt om geven. Dat kwetsen mag, is ook niet iedere functionaris bekend. Nog onlangs werd cartoonist Oppenheimer door de rechter in Maastricht veroordeeld. Hij had het begrip ‘louche’ niet aan advocaat Hiddema mogen verbinden. Foei! Zes jaar geleden werd cartoonist Nekschot na huiszoeking anderhalve dag vastgehouden. Het OM vond dat acht grove anti-islam tekeningen strafbaar waren, maar zag van vervolging af, vooral door de publicitaire ophef.

Hoezo dus, ‘wij zijn Charlie’? Als de normen van fatsoen, de lange tenen en het ego opspelen is een rectificatie, weerwoord of schadevergoeding zó afgedwongen. Politicoloog Cas Mudde legde er op vrijdag in een mooi tegendraads stuk op de opiniepagina de vinger op. Het gros van de burgers (en veel media) willen een genuanceerd debat – juist geen snoeiharde cartoons of grove taal. Veel mensen zìjn ook gewoon bang. En terecht.

Dat kwetsen ‘moet kunnen’ is nog geen plicht dat ook te doen, houden we elkaar voor. Maar dat ontslaat ons dus niet van de plicht om diegenen die de grenzen wel verkennen tot het uiterste te beschermen.