Aan eenzaamheid ga ik kapot

Professor Bob Smalhout luncht liever thuis en vertelt over twee huwelijken, zijn columns voor De Telegraaf en de eenzaamheid. „Als ik eruit stap, ben ik een afvallige.”

Professor Bob Smalhout schrijft op zijn 87ste nog steeds wekelijks een column voor De Telegraaf. „Ik mag iedereen tegen de schenen schoppen, behalve voetballers.” Foto: Merlijn Doomernik
Professor Bob Smalhout schrijft op zijn 87ste nog steeds wekelijks een column voor De Telegraaf. „Ik mag iedereen tegen de schenen schoppen, behalve voetballers.” Foto: Merlijn Doomernik

Nu ook zijn tweede vrouw is overleden, ontbijt en luncht professor Bob Smalhout (87) met pannenkoeken uit de magnetron. ’s Avonds warmt hij meestal een diepvriesmaaltijd op. Via zijn uitgeefster laat hij weten dat hij graag met me wil lunchen om te praten over zijn nieuwste boek. Om praktische redenen wil hij bij hem thuis afspreken. En zou ik wellicht ook broodjes kunnen meenemen? „De professor lust alles”, zegt zij. Hij zorgt voor de koffie.

Bob Smalhout is emeritus hoogleraar anesthesiologie. Sinds zijn pensionering – „de grootste ramp die me getroffen heeft” – schrijft hij een wekelijkse column voor dagblad De Telegraaf. Een selectie van zijn recente columns staat in zijn boek Moderne leegte. Ze gaan over de verloedering/verschraling/aftakeling van de zorg/het onderwijs/de samenleving, over ‘infame bezuinigingen’ en ‘stupide regels’. De laatste vijftig bladzijden van het boek zijn gewijd aan ‘de leegten in zijn leven’. Geschreven odes aan de mensen die hij mist. Zijn vader Elias, zoon van een joodse diamantbewerker en tekendocent. Zijn moeder Bregtje Sombogaart, van dienstmeisje opgeklommen tot procuratiehouder. Zijn eerste vrouw Mieke, begaafd celliste. De laatste jaren van hun zestigjarige huwelijk leed zij aan de ziekte van Alzheimer. Ze overleed in 2010. Zijn tweede vrouw, Nanda van der Zee, was historica en schrijfster. Ze stierf negen maanden geleden na een val. Ze werd, 62 jaar oud, begraven op hun vierde huwelijksdag.

Ik neem mee: twee zachte bolletjes halfom (lever en pekelvlees, vanwege zijn joods-Amsterdamse wortels), twee pistolets zalmsalade (voor als hij toch liever vis eet), twee krentenbroodjes met spijs (altijd goed). De professor ontvangt me in de vurenhouten keuken van zijn jarenzeventigvilla in Bosch en Duin. Tweed jasje, grijze coltui. Voor hem op de keukentafel liggen stapels weekendkranten, brieven en tijdschriften naast een hoogbejaard zwart-wit-tv’tje. Een slank poesje paradeert over tafel en krult haar staart tegen zijn gezicht. Smalhout ondergaat het genietend. „Een Abessijns katje”, zegt hij. Op advies van een vriendin in huis genomen ter bestrijding van zijn „afschuwelijke eenzaamheid”.

Hij bedankt uitvoerig voor de meegenomen broodjes. Was toch niet nodig geweest. Zijn secretaresse, die hem twee keer per week helpt met zijn correspondentie, brengt koffie en appeltaart. Hij excuseert zich dat hij blijft zitten. Hij is de afgelopen jaren twee keer onder handen genomen door „collegae”. Drie bypasses en een nieuwe aortaklep. Alles wat hij zelf ooit als specialist zo kundig uitvoerde, onderging hij zelf. „Hart-longmachine, stilzetting van het hart, diepe koeling, alle lichaamsfuncties worden overgenomen.” En hij kan me één ding vertellen: „De mens is niet geschikt om geopereerd te worden.” Want allemachtig, het is hem niet in de kouwe kleren gaan zitten. „Door beschadiging van mijn zenuwen en vaten in mijn benen voel ik mijn voeten niet meer. Ik heb last van evenwichtsstoornissen.” Hij heeft nu ook ondervonden hoe eigenaardig dokters kunnen zijn. „Ik zeg tegen de cardioloog: ‘Ik voel mijn voeten niet.’ Zegt hij: ‘De pijn in je hart is weg, je hebt geen angina pectoris meer.’ ‘Jawel’, zeg ik, ‘maar ik val steeds om’. Waarop hij zegt: ‘Kijk, je elektrocardiogram, kijk eens hoe mooi dat nu is’.” Artsen, concludeert hij, zijn „monomane vakidioten”. Hijzelf niet uitgezonderd. Ik vraag hem of hij bang was om in de operatie te blijven. Hij kijkt verstoord. „Bang? Ik ben nooit bang.”

Autoped

Met een vaag Amsterdamse tongval en de timing van een cabaretier vertelt hij de ene na de andere anekdote. Geestig en eloquent. Over dat hij als vijfjarige al dokter wilde worden. „Ik had van mijn autoped een ambulance gemaakt en bevoorraad met jodiumtinctuur en pleisters. En dan reed ik de straten rond in de hoop dat een kind zichzelf flink zou bezeren, opdat ik in dolle vaart erop af kon om eerste hulp te bieden.” Iets van Kees de Jongen schemert door als hij vertelt over zijn vader die overleed aan de late gevolgen van Spaanse griep. Bob Smalhout was twaalf jaar. „Hij was mijn afgod, mijn held.” Zijn moeder mocht de cello van zijn vader niet verkopen, hij zou het instrument wel bespelen. Hij kon op les bij een celliste van het Operaorkest. Getrouwd, drie kinderen, ruim tien jaar ouder dan hij. „Ik werd verliefd op haar.” Er ging een Tweede Wereldoorlog overheen, een scheiding (van haar), een studie medicijnen. „Toen zei ik tegen haar: ‘Ik vind u eigenlijk verschrikkelijk aardig’.” Zijn moeder zette hem de deur uit, vanwege die relatie. De celliste bleef zestig jaar zijn vrouw. Samen kregen ze één dochter. Ze woonde tot begin dit jaar in Abu Dhabi.

Afwisselend laat hij aan de keukentafel twee uitersten van zichzelf zien. Soms valt hij stil. Als hij vertelt over zijn tweede vrouw, die hij leerde kennen toen ze zich bij hem vervoegde om zijn biografie te schrijven. „Ik zorgde voor mijn zieke vrouw, ik kon niet van huis weg.” Hij vraagt Nanda van der Zee daarom of ze, tijdelijk, komt wonen in het vrijstaande tuinhuis op zijn terrein. „Gratis en voor niks.” Gaandeweg nam ze de zorg voor mevrouw Smalhout op zich. „Ze groeide uit tot de vrouw des huizes.”

Toen zijn echtgenote was overleden en zijn biografie af was, vroeg hij Nanda te blijven. „Onze gesprekken tot diep in de nacht waren de heerlijkste uren van de dag.” Omdat zij zoveel jonger was, wilde hij hun samenzijn een „juridische basis” geven. Met zijn werkster en de tuinman als zijn getuigen trouwden ze. Nu nog dwarrelt er af en toe een kattebelletje uit een boek, gericht aan ‘lieve Bobbie’. Soms vindt hij een gedicht van haar dat hij nog niet kende. Hij reciteert: „Ons graf. Ik wil voor altijd bij je zijn. Juist in de eeuwigheid (...).” Ze schreef het vier jaar voor haar dood.

Dan weer is hij de professor met ongezouten meningen. Over Onno Hoes, de burgemeester van Maastricht die opstapt na een flirt met een jongeman. „Waanzinnig.” „Stupide.” „Van de pot gerukt.” Natuurlijk moet iemand in een hoge positie zijn privéleven aanpassen, zegt hij. „Ik kon me als afdelingshoofd toch ook niet permitteren achter elke blote verpleegkundige aan te hollen?” Hij is voornemens een column aan die kwestie te wijden.

Ik vraag hoe hij, die allang geen kind meer op school heeft en al jaren weg is uit het ziekenhuis, zo goed weet wat er mankeert aan de zorg en het onderwijs. Op slag narrig: „Ik weet wat er omgaat. Ik lees me wezenloos. Al mijn columns zijn uitstekend gedocumenteerd.” Ik vraag of De Telegraaf wel eens een column van hem heeft geweigerd. Hij glimt van genoegen. „Eén keer. Toen had ik iets onaardigs geschreven over Patrick Kluivert. In De Telegraaf mag ik tegen ieders schenen schoppen, alleen niet tegen die van een voetballer. Dát pikken de lezers niet.”

Voorzichtig vraag ik of hij, met zijn intellectuele belangstelling, niet beter zou passen bij een andere krant. NRC Handelsblad bijvoorbeeld. Die kan ik terugkrijgen. „Kouwe kak, flauwekul, pseudo-intellectualisme. Bij NRC leest een verslag van een voetbalwedstrijd alsof het een ingenieus atoomexperiment betreft. Niets begrijp ik ervan.”

De secretaresse legt de broodjes op een schaal en zet die op tafel. Hij eet kleine hapjes. Ik zeg dat me opvalt dat zijn columns tegenwoordig persoonlijker lijken. Hij knikt. „Vroeger dorst ik nooit over mezelf te schrijven. Zoiets viel al snel verkeerd. Ik ben vrijer geworden. Het persoonlijke wordt tegenwoordig juist gewaardeerd. Dan blijken velen dezelfde problemen en moeilijkheden te hebben als ik.”

Dagelijks ontvangt hij vele brieven en e-mails van lezers. „Voor hen ben ik een familielid.” Iedereen krijgt antwoord en waar hij kan, helpt hij. „Dokter ben je levenslang.”

Laatst nog, op een nacht. Hij zat, zoals zo vaak, te werken in de studeerkamer. Er wordt aangebeld. Een wildvreemde man van een jaar of 35 staat voor de deur. „Hij zegt: ‘Professor, ik heb ellende’.” Hij laat hem binnen. Na een auto-ongeluk had hij enkele weken in coma gelegen. „Hij was genezen verklaard. Maar hij ondervond nog dagelijks de gevolgen van zijn hersentrauma. Hij kon niet werken, niet lezen, zich niet concentreren.” Dat is nou precies wat hij eerder bedoelde. „Dokters zeiden tegen hem: je loopt, je hart klopt, je ademt, je ligt niet in coma. Waar zeur je over?” Bob Smalhout zorgde ervoor dat hij terechtkan bij een in hersentrauma gespecialiseerde psycholoog.

Hij pakt het bijbeltje dat met een elastiekje erom naast hem op tafel ligt. Eerste hoofdstuk, Genesis: ‘Het is niet goed dat de mens alleen zij.’ Gek wordt hij ervan, van het alleen zijn. Niemand die hem goedemorgen wenst, of welterusten. Geen aai over de bol, geen knipoog, geen woordeloos begrip. „Je gaat eraan kapot.” Heeft hij, vraag ik op de man af, de afgelopen maanden nooit overwogen zijn echtgenotes achterna te gaan? Hij zou, als anesthesioloog, vast weten hoe dat moet. „Heel vaak”, knikt hij. „Al was het maar om van het gelazer af te zijn.” Maar? „Mijn werk, mijn taak is nog niet klaar.” Zou hij er voortijdig mee uitscheiden, dan zou het zijn alsof hij zich aan zijn verplichtingen onttrok. „De familie van mijn vader is vrijwel volledig uitgeroeid gedurende de oorlog. Bij alles wat ik doe, overheerst de gedachte dat ik moet compenseren wat zij niet konden volbrengen. Als ik er zelf uitstap, voel ik mij een afvallige, een deserteur.”