Welnee, velen zijn niet Charlie Hebdo

Verbazend hoeveel islamofoben, politici en andere lieden nu hun liefde verklaren aan een tijdschrift dat ze niet kenden of tot voor kort zelfs een ‘communistisch vod’ noemden, aldus Cas Mudde.

Illustratie Gatis Sluka/ Cartoonmovement

De terreuraanslag in Parijs op het Franse satirische weekblad Charlie Hebdo, waarbij tien journalisten en twee politieagenten werden vermoord, is op vele niveaus beangstigend. De terroristen zijn op het moment van schrijven nog op vrije voeten en het motief is nog niet vastgesteld, maar alles wijst op jihadisten, waarschijnlijk in Frankrijk geboren moslims, terug uit de oorlog in Syrië (let op de gelijkenis met de terreuraanslag op het Joods Museum in Brussel afgelopen jaar).

De algemene reactie is bekend, bijvoorbeeld na de moord op regisseur Theo van Gogh in 2004 of de terreuraanslagen van 2001. Politici gebruiken de aanslagen om zich te beroemen op de volmaakte, democratische en vrije samenleving die zij leiden en beklemtonen dat dit niets met islam te maken heeft, maar met een paar ziekelijke enkelingen die religie als excuus voor extremistische denkbeelden gebruiken. Burgers reageren via het enige medium waarop ze nog actief zijn, de sociale media, en doen grootse uitspraken over solidariteit, voordat ze weer worden afgeleid door een filmpje van een eekhoorn op waterski’s of een poesje dat piano speelt. Beiden zullen verklaren dat we allemaal het slachtoffer van de dag zijn.

Vandaag staan Facebook en Twitter vol uitspraken als ‘Je suis Charlie’ (Ik ben Charlie) en ‘We zijn allemaal Charlie’. Helaas zijn we dat niet. Of beter gezegd: op een enkele uitzondering na zijn wij geen Charlie en dat is een groot probleem voor de liberale democratieën over de hele wereld. Ten eerste zijn veel van de meest uitgesproken ‘verdedigers’ van Charlie Hebdo heel nieuwe en selectieve aanhangers van het satirische blad. Verbazend hoeveel islamofoben en extreem-rechtsen hun liefde verklaren aan een blad dat ze tot voor kort bekritiseerden als een ‘communistisch vod’ (nadat Charlie in een bijtende satire hun eigen helden had bespot, van Jezus tot Le Pen). Dit zijn de heldhaftige verdedigers van de vrije meningsuiting, zoals Wilders, die een verbod op de Koran willen.

Veel mensen zijn nu juist géén Charlie omdat Charlie Hebdo alle godsdiensten en alle politici zou bekritiseren, ongeacht etnische afkomst, geslacht, ideologie. Het is dan ook zelf bekritiseerd door leiders van alle godsdiensten en politieke partijen. Dat neemt niet weg dat het alleen met geweld door extremistische moslims is aangevallen. Het is een onbehaaglijk maar onmiskenbaar gegeven dat de meeste daden en dreigementen op het terrein van politiek geweld in het huidige Europa van extremistische moslims afkomstig zijn. Dat komt niet door de islam, want 99,9 procent van de moslims is niet gewelddadig, maar dat betekent niet dat de islam geen enkele rol speelt.

Ten tweede zijn veel mensen geen Charlie omdat ze vinden dat democratische discussies ‘beschaafd’ moeten zijn en mensen niet mogen storen. Probleem is dat ‘beschaving’ een glijdend begrip is, dat voor verschillende mensen verschillende dingen betekent. Wie bepaalt dat kritiek van Charlie op de islam een zeer godsdienstige moslim meer stoort dan kritiek van l’Equipe op Paris Saint-Germain een verstokte fan pijn doet?

Door de geschiedenis heen is ‘beschaving’ bepaald conform de belangen van de politieke gevestigde orde. Dat is nog altijd zo en daardoor wordt het beschavingsargument vrijwel altijd selectief en opportunistisch gebruikt. In de derde en laatste plaats zijn veel mensen geen Charlie omdat ze bang zijn. Ook onder beroepscritici, zoals cabaretiers en intellectuelen, wordt zelfcensuur steeds meer de norm. Menigeen behandelt thema’s in verband met de Joden en Israël veel gevoeliger dan over andere groeperingen en landen, uit angst voor professionele sancties. Even verontrustend is de groeiende groep cabaretiers en intellectuelen die zelfcensuur toepassen over onderwerpen in verband met de islam en moslims. Zelfs de paar dapperen die wel de islam of het islamisme op de hak durven nemen, worden vaak door de media of door hun werkgevers gecensureerd – de beruchte ‘Mohammed-aflevering’ van South Park is door Comedy Central meermaals gecensureerd!

Politici zullen prediken dat ‘moslims’ moeten leren leven met het feit dat ‘ze’ onderdeel zijn van een maatschappij waarin alles wordt bekritiseerd. Dat doen ze door te wijzen op de kritiek op en de satire over christenen en het christendom (dikwijls echter uit de jaren zestig en zeventig). Maar dit is op z’n best naïef en op z’n slechtst onoprecht.

Veel ‘aanvaardbare’ kritiek op islam en moslims zou onaanvaardbaar en zelfs illegaal (!) worden bevonden als die zich op andere groepen zou richten. Vervang het woord ‘moslims’ maar door ‘Joden’ of ‘zwarten’, en vraag je dan eens af of je nog steeds vindt dat dit soort kritiek aanvaardbaar is. Sommige moslims zien daarom het ‘vrijheid van meningsuiting’-argument als een smoes. Dit verklaart mede het gevoel van machteloosheid onder de moslimbevolking van Europa. Sommigen hebben het gevoel dat moslims worden gediscrimineerd, omdat ze geen stem hebben in het politieke systeem. Bij tijd en wijle inderdaad geïnspireerd door een antisemitische kijk op de wereld, wijzen ze naar de macht van de Joden en hun succesvolle pogingen om het antisemitisme effectiever de kop in te drukken. Zij hebben het gevoel dat moslims afhankelijk zijn van de sympathie van niet-islamitische elites, die vrij selectief blijken te zijn in hun steun (zelfs ter linkerzijde), of hun toevlucht moeten nemen tot buitenpolitieke acties, zoals (de dreiging met) geweld.

Laat ik herhalen dat dit geen aanvaardbare excuses zijn voor gewelddadige handelingen of woorden. Maar ze missen ook niet iedere grond. Als ‘wij’ van ‘hen’ verwachten dat ze de vrijheid van meningsuiting respecteren, moet die vrijheid volledig zijn of alle groepen gelijkelijk beschermen (wat onmogelijk is). Als ‘we’ willen dat zij zich aan de (niet ‘onze’!) spelregels houden, moeten ‘wij’ ‘hen’ ook als gelijkwaardige burgers aanvaarden. De islam en moslims worden maar al te vaak behandeld als iets vreemds en in verband gebracht met immigratie of een of ander buitenland. Maar de meerderheid van de moslims in de meeste Europese landen zijn burgers die in Europa zijn geboren en getogen. Met andere woorden, ‘zij’ zijn ‘wij’. Net zo goed als ‘zij’ dus in ‘ons’ land moeten leren leven, moeten ‘wij’ onder ogen zien dat het nu ook ‘hun’ land is.

In plaats van de vrijheid van meningsuiting nog verder in te perken door haar terug te brengen tot ‘beschaafde’ meningsuiting, of door de antidiscriminatiewetgeving nog verder uit te breiden, moeten we onze leuzen gestand doen en de vrijheid van meningsuiting voor iedereen omarmen, inclusief antisemieten en islamofoben. Op dezelfde manier moeten we iedereen kritiseren en bespotten, van atheïsten tot christenen, van Joden tot moslims en van de Groenen tot extreem-rechts. Dit vereist niet alleen dat we ons allemaal tegen de extremisten uitspreken, maar ook dat we degenen verdedigen die ze op de hak nemen – zelfs nog voordat ze bedreigd of vermoord worden.