Waarom lopen burgemeesters hier voorop en niet het kabinet?

Burgemeester Ahmed Aboutaleb van Rotterdam houdt een toespraak tijdens de demonstratie in zijn stad na de aanslag in Parijs. „Ik ben vanavond Parijzenaar.” Rechts van hem korpschef Frank Pauw.
Burgemeester Ahmed Aboutaleb van Rotterdam houdt een toespraak tijdens de demonstratie in zijn stad na de aanslag in Parijs. „Ik ben vanavond Parijzenaar.” Rechts van hem korpschef Frank Pauw. Foto Hollandse Hoogte

De meeste partijleiders uit de Nederlandse politiek stelden zich afgelopen dagen bescheiden op. Zo schoof geen van hen aan in een talkshow om over de aanslag in Parijs te praten, wat normaal gesproken allicht het geval zou zijn geweest.

Het bleef nu bij korte, meelevende en veroordelende reacties van de meeste fractievoorzitters uit de Tweede Kamer – een videoboodschap van Geert Wilders daargelaten.

Vanuit het kabinet was er gisteren de toespraak van premier Mark Rutte op de Dam in Amsterdam, waarin hij zei dat „we ons niet laten regeren door angst”. En: „Voor fundamentalistisch geweld en onverdraagzaamheid is in onze samenleving geen plaats.” Ook andere bewindspersonen woonden demonstraties bij – ze schrapten daarvoor het bewindspersonenoverleg dat de coalitiepartijen doorgaans donderdagavond hebben.

De terughoudendheid vanuit vooral de Tweede Kamer kent diverse redenen. Er was het praktische beletsel dat de Kamer afgelopen week nog met kerstreces was – dus camera’s waren er amper op het Binnenhof. En afstemmen wie het woord voert, is net even lastiger als woordvoerders of fractievoorzitters thuis zitten of met vakantie zijn.

Relevanter nog dan die logistiek – want een aantal fractievoorzitters toog wel degelijk naar het Kamergebouw om een eerste reactie voor de camera’s van de NOS te kunnen geven – is dat bij zulke evident heftige gebeurtenissen geen politicus het verwijt wil krijgen ‘politiek te bedrijven’ over de rug van slachtoffers of nabestaanden.

Hoewel politiek bedrijven hun dagelijks werk is, heeft die term in deze context een nare bijsmaak. Een politicus die electoraal gewin probeert te behalen als zich zojuist een drama heeft voltrokken, die spoort niet, is de gedachte. Eenzelfde dynamiek was zichtbaar na de ramp met vlucht MH17, vorig jaar zomer. Medeleven betuigen en het kabinet zijn werk laten doen, was toen het credo bij coalitie én oppositie. Die sfeer veranderde pas enkele maanden na de ramp.

Vanuit het kabinet keerde premier Rutte gisteren terug van vakantie, zoals gepland. Eerder terugkomen oordeelde hij niet nodig – de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding stelde in de eerste uren na de aanslag vast dat er geen aanleiding was in Nederland aanvullende veiligheidsmaatregelen te nemen. Door die ambtelijke weging van de situatie bleef de aanslag, hoe tragisch ook, een buitenlandse aangelegenheid.

Burgemeesters speelden afgelopen dagen wel een prominentere rol. Als eerste burger is het hun taak emoties uit hun gemeenschap te verwoorden. En ze voelen zich vaak vrijer om te spreken dan hun landelijke collega-politici. Vooral de Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb (PvdA) kreeg veel aandacht, door zijn indrukwekkende toespraak gisteren. „Ik ben vanavond Parijzenaar en ik heet Charlie”, zei hij, in het Frans. „Het slechtste wat we nu kunnen doen is voldoen aan de verwachtingen van de terroristen en haat en wraakgevoelens toelaten in onze harten.” Woensdag was Aboutaleb ook al zeer uitgesproken. Wie het met de daders van de aanslag eens is, kan wat hem betreft uit Nederland vertrekken. „Als je niet ziet zitten dat humoristen een krantje maken, rot toch op.” Zo’n vrije en wat ondiplomatieke boodschap zou een premier zich niet kunnen permitteren.

Gebruikten kabinet en burgemeesters hier een draaiboek met voor hen elk vastgelegde rollen? Nee, net zoals de demonstraties in Parijs en in andere Europese landen spontaan ontstonden, gebeurde dat hier ook. Een belletje tussen de Amsterdamse burgemeester Van der Laan en premier Rutte, en de toespraak op de Dam was geregeld.