Waar?

Zo gaat het. Je betrekt het op jezelf en dat is precies wat ze willen. Een boodschap, een waarschuwing, angst zaaien: dit had jullie ook kunnen overkomen. Dit kán jullie nog overkomen.

Ons dus. Ons allemaal. Waar dan ook ter wereld. Maar in de eerste plaats denk je, instinctief, aan jezelf.

Je hoort het nieuws en gedachte één is nog: wat?!! En vrijwel meteen volgt daarop gedachte twee: niet weer. Gedachte drie is uiteraard: die arme redactie, die arme agenten en wat vreselijk voor hun families en vrienden. Gedachte vier is: ik ben woedend. Wat gaan we nu verdomme doen om dit te stoppen? Daar heeft helaas even niemand een antwoord op, dus gaan we door naar gedachte vijf en die is: ik ben bang. En dat is ook gedachte zes en zeven en acht tot en met… soms dwarrelen of razen gedachtes één tot en met vier er weer tussendoor, maar die angst, die is het hardnekkigst. Daar blijf je in hangen. Ik althans. Ik wil het niet – zo ben ik ook niet opgevoed – maar zo gaat het, in elk geval nu nog even.

Als ik door onze stad fiets op de dag van de aanslag, lijkt die ineens anders. Groter, onveiliger, grimmiger en kan ik het niet helpen dat ik alleen maar denk: waar? Waar zullen ze het doen?

Even hiervoor hoorde ik burgemeester Van der Laan nog geruststellende dingen zeggen tegen een AT5-verslaggever. „Flink blijven”, zei hij ook, „anders doen we precies wat die afgrijselijke terroristen willen”. Ik probeerde het. Maar toen hij daarna natuurlijk toch moest toegeven dat we een aanslag hier nooit kunnen uitsluiten, was de knoop in mijn maag weer terug.

Ik fiets langs het NRC-gebouw en huiver even. Het zal toch niet?

Even later ben ik op de Dam. Een paar weken terug, met Chanoeka, stond ik er nog met mijn zoontje en meer dan honderd Joodse en niet-Joodse Amsterdammers te dansen op ‘Hava Nagila’ (‘Laat ons gelukkig zijn’) tussen de kerstboom en de chanoekia in. Een Joodse vriendin had ons verteld dat het een gezellig feestje zou worden en dat was het. Er speelde een opzwepend bandje. Het was sowieso fantastisch om uitbundig te dansen midden op de Dam. Die voelde even als het middelpunt van de aarde. Ik herinner me dat ik ook even – echt heel even – dacht: het zal hier toch wel veilig zijn? Toen zag ik een paar agenten meezingen en stond ik er verder niet meer bij stil. Nu staan er, precies op diezelfde plek, honderd mensen stil. Ze houden bordjes met ‘Je suis Charlie’ omhoog. Of pennen. Het licht van de kerstboom is gedoofd.

Ik fiets over het Mr. Visserplein en ben bang. Ik fiets langs de Stopera en ben bang. Ik fiets langs het Anne Frank huis en ben bang, ik fiets langs De Balie en ben bang, ik fiets langs mijn vaders huis en ben bang. Ik schrijf een column en ben bang.