Seks, zonde en rokende pistolen

Een boek moest even duur zijn als een pakje sigaretten, was het idee. De Amerikaanse pocket leidde tot democratisering van literatuur, maar ook tot emancipatie van zwarten en homoseksuelen.

Een van de weinige bibliofiele boeken in mijn kast is een onooglijke uitgave van William Faulkners klassieke misdaadroman Sanctuary. De lijm van de pocket heeft losgelaten, de bladzijden liggen los en zijn half vergaan. De aantrekkingskracht zit in de heerlijk ordinaire kleurenillustratie op de voorkant: een roodharige vrouw met halfblote groene jurk en sigaret tussen haar vingers kijkt de aanstaande lezer broeierig aan. Naast haar staat een man met hoed, vlinderstrik en sigaret; hij heeft duidelijk niet veel goeds in de zin.

De naam van de cover artist van de goedkope Signet-pocket uit 1947 wordt niet genoemd; het is niet James Avati, ‘de Rembrandt van het pulpomslag’, maar een van de vele anderen die tussen circa 1940 en 1955 bijdroegen aan de Amerikaanse pocketrevolutie. Een revolutie die volgens de literatuurwetenschapster Paula Rabinowitz niet alleen zorgde voor een democratisering van de hogere literatuur, maar ook voor tal van maatschappelijke veranderingen, waaronder sociale mobiliteit en emancipatie van zwarten en homoseksuelen.

In American Pulp, een lezenswaardige maar niet al te vlot geschreven academische studie, boekstaaft Rabinowitz de opkomst en ondergang van het pulpboek in brede zin: van de romans van Faulkner en zijn collega-modernisten tot de traditionele pulpgenres (misdaad, science-fiction, romantische fictie), en van een Holocaustgetuigenis (Hitler’s Ovens) tot een reconstructie van de beruchte Leopold & Loeb-moordzaak die Hitchcocks Rope inspireerde (Compulsion).

Het begon allemaal met de uitvinding van de pocket, een boek voor de prijs van een pakje sigaretten, door Allen Lane van Penguin in 1935. Maar terwijl de Engelsen hun pockets stijlvol vormgaven, kozen de Amerikanen enkele jaren later bewust voor opzichtigheid om de massa te bereiken. Zowel de omslagen als de blurbs suggereerden de drie S’en: seks, spanning en sensatie, of zoals het in Amerika heette, sex, sin and smoking guns. Orwells Burmese Days werd aangeprezen als ‘a Saga of Jungle Hate and Lust’, Steinbecks Cannery Row als ‘the Street where Love Comes Easy’, en Zola’s L’Assommoir kreeg zelfs een nieuwe titel, Nana’s Mother, opdat de verbinding kon worden gelegd met ’s schrijvers schandaalsucces Nana: ‘The Passions That Spawned the Immortal Nana’.

Echte mannen

De motor achter de Amerikaanse pulprevolutie was de Tweede Wereldoorlog. Een speciale Council of Books in Wartime moest zorgen voor afleiding van de troepen overzee en drukte binnen vier jaar 1180 titels in een totale oplage van 140 miljoen exemplaren. Daar zaten ‘romannetjes’ en westerns tussen, maar ook buitenlandse klassieken, leerzame non-fictie, poëzie en verhalenbundels van jaren-dertigtoppers als Ring Lardner. De boeken waren undigested and unabridged, alleen het uiterlijk was toegesneden op een publiek dat niet aan lezen gewend was. De omslagen waren lekker vet en de aanprijzingen gewaagd. Soms werd een kunstgreep toegepast: de verhalen van de Deense Nobelprijskandidate Karen Blixen werden uitgebracht onder haar mannelijke pseudoniem Isak Dinesen om de ‘echte mannen’ in het leger niet in verlegenheid te brengen.

De ‘Armed Services Editions’ creëerden een gigantische lezersmarkt die ook na het beëindigen van de oorlog bediend moest worden. Dat gebeurde onder andere met de New American Library van de Random House-dochter Signet, een serie met goedkope herdrukken van beroemde (Amerikaanse) romans – mijn exemplaar van Faulkners Sanctuary verscheen daarin anno 1950, als twaalfde druk. Maar ook de andere kant van het spectrum, de echte pulp, werd niet vergeten. Zo was er een grote behoefte aan soft-erotische verhalen over lesbische liefdes (‘She Sold Herself for her Lover’s Sake’), romans die waren gericht op mannen, maar vaak geschreven door vrouwen, onder wie de latere queen of crime Patricia Highsmith. In een geestige analyse maakt Rabinowitz duidelijk dat deze boeken door ontbottende lesbiennes werden gelezen als how-to manuals, etiquetteboeken voor de juiste kleding en de beste versiertechnieken.

Ook andere minderheden zagen zich ‘gerepresenteerd’ in de pulprevolutie. Een van de grootste successen in de jaren veertig was het non-fictieboek Twelve Million Black Voices, een fotoboek over zwart Amerika waarvoor de beroemde Afro-Amerikaanse auteur Richard Wright de begeleidende teksten had geschreven – vooral puttend uit true-crime-tijdschriften. Rabinowitz wijdt ook een hoofdstuk aan het werk van de bij ons minder bekende Ann Petry, een zwarte schrijfster die aan de hand van pulpy verhalen over de onderklasse liet zien hoe slecht de levensomstandigheden voor de zwarte Amerikanen waren. Ze deed dat bovendien op een modernistische manier, gebruik makend van technieken als de stream of consciousness en het middelpuntzoekend perspectief.

Pulping is the process by which Americans became modern’ luidt een van de stellingen van Rabinowitz. En dat gold ook op een andere manier: sommige pockets werden vanaf 1952 onderwerp van hoorzittingen in het Congres of van rechtszaken, waarbij officieel de (pornografische en/of communistische) inhoud van de romans ter discussie stond, maar stiekem vooral het feit dat ze door een lage prijs en een hoge oplage bij jan en alleman terecht kwamen. Een beroep op het Eerste Amendement van de Amerikaanse grondwet (dat de vrijheid van meningsuiting garandeert) was voor uitgevers meestal genoeg om van de rechter gelijk te krijgen. Overigens was de pulprevolutie toen al grotendeels ten einde gekomen, als gevolg van de recessie na de Koreaanse Oorlog (1953) en de opkomst van de iets luxere trade paperbacks.

Salingers woede

Rabinowitz besluit haar boek met het Nachleben van pulp: beroemdheden die in hun autobiografieën de herinnering aan de New American Library koesteren, romanciers die parodieën op pulpgenres schrijven, kunstenaars die zich verstaan met de inmiddels klassiek geworden pulpomslagen. Dat niet alle covers bij iedereen in goede aarde vielen, blijkt uit de reactie van J.D. Salinger op de Signet-editie van zijn romandebuut The Catcher in the Rye. James Avati tekende de hoofdpersoon met pet en koffer in het New Yorkse nachtleven. Salinger was daar zó boos over – niet voor niets had hij het uiterlijk van zijn Amerikaanse elckerlijc onbeschreven gelaten – dat hij in het vervolg iedere vorm van illustratie op zijn boeken verbood. Als gevolg van de pulprevolutie moet de lezer het sindsdien doen met volledig typografische Salinger-kaften. Antiquarisch zal moet de Signet van The Catcher in the Rye nog wel te vinden zijn; er werden er meer dan een miljoen van verkocht.