Rauwe stilte

Toen ik woensdag, zo’n twee uur na de aanslag, naar het redactiegebouw van Charlie Hebdo liep, heerste daar een vreemde rust. „Het volk huivert op de Place de la Bastille”, had een Nederlandse vriend me ge-sms’t. Maar op dat plein stond alleen een groot aantal politiebusjes. Daaromheen leek het leven vooral zijn grootstedelijke gang te gaan. Een deel van de Boulevard Richard Lenoir was afgezet met rood-witte linten. Er stonden agenten, die zich opvallend kalm gedroegen, vriendelijk zelfs. Een laadwagen met dranghekken kwam aangereden, maar er viel niets te dringen – er waren niet veel mensen. De ziekenwagens waren vertrokken. Geen menigte, geen bloemen, slechts hier een daar een voorbijganger die zijn mobiele telefoon omhoog hield. Geen geschreeuw, geen paniek. Alleen wat zachte stemmen. Een kleumende journaliste oefende een stand-upje. Een bejaarde Arabische man, een ooggetuige uit de buurt, deed bescheiden zijn verhaal aan een groepje journalisten. Even verderop stond een jongen, zijn betraande vriendin in zijn armen. Maar ondanks de mensen was het stil, onwerkelijk stil. Er was iets ontzagwekkends gebeurd, maar niemand, leek het, had er al woorden voor.

Die woorden kwamen snel genoeg. Indrukwekkende, troostende woorden – een aanslag op de democratie, op de vrijheid. Indringende speeches, scherpe commentaren, woedende blogs, pregnante tweets en tekeningen, heel veel tekeningen. Er werd stelling genomen, onverzettelijkheid geëtaleerd, saamhorigheid getoond. Regeringsleiders, presidenten, onze koning, allemaal mooie, grote woorden. Urenlang stond het Place de la République die avond vol met een massa burgers, overal ter wereld hielden journalisten bordjes met Je suis Charlie omhoog. Er werden overal bijeenkomsten en tochten aangekondigd. Geen verslagenheid, dan gaf je de terroristen wat ze wilden hebben, de samenleving moest haar veerkracht tonen. Overheerste in Frankrijk voor de aanslag een ziekelijk, bijna wellustig soort ondergangsdenken, waarbij de meeste vingers naar de islam wezen, daar was nu ineens geen spoor meer van te herkennen. Strijdlust. Eenheid, samenhorigheid, pluriformiteit, democratie, vrijheid. Allemaal waren we Charlie.

Je zou er bijna een goed gevoel van krijgen.

Ik probeerde die rampzalige dag alles te volgen, was vaak ontroerd, raakte veelvuldig onder de indruk door commentaren, ook ik vond dat satire het vast en zeker zou winnen van de gekte, ik wilde het in ieder geval graag geloven. Ook ik applaudisseerde voor de lucide woorden van de burgemeester van Rotterdam en nog zoveel anderen. Maar gaandeweg raakte ik verzadigd van al die woorden en moest ik steeds meer denken aan die vreemde stilte op de Boulevard Richard Lenoir. Op dat moment waren de slachtoffers nog geen abstracties, nog geen symbolen, helden van het vrije woord, hoeders van de vrijheid – of de „goede moslim”, die als bewijs moest worden aangevoerd dat ook moslims slachtoffer van deze aanslag waren. Op dat moment waren het nog stuk voor stuk doodgeschoten mensen van vlees en bloed, individuen, vermoord door mannen met een hoofd vol onzin in een metropool waar de meeste mensen langs elkaar heen leven.

Stil zal het niet meer worden. Een samenleving kan niet leven in een staat van verbijstering. Elk vacuüm moet onmiddellijk worden ingevuld met betekenis. Kwetsbaarheid is een luxe die niemand zich kan veroorloven. Er moet worden geduid, gedebatteerd, stelling betrokken. Wat de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo betekent, en het geweld dat erop volgde, en vermoedelijk nog zal volgen, wordt achteraf bepaald door de politiek, de media, de samenleving. Het zal een rol gaan spelen in de geschiedenis – de geschiedenis die, volgens oude cultuurcriticus George Steiner in een recent interview, weer gevaarlijk is geworden. Dat is onomkeerbaar. Maar nu al weet ik dat ik te midden van mijn eigen grote woorden vaak zal terugdenken aan die rauwe stilte op Boulevard Richard Lenoir, tijdens een grauwe dag in januari, in een grote, nog grotendeels onaangedane stad.