Randje bloemen redt vogels niet

Dankzij ongemaaide akkerranden vol bloemen zou de weidevogel wel overleven. Maar het maakt geen verschil.

Foto Marcel van Hoorn

Een akkerrand vol bloemen en grassen is niet genoeg om akkervogels te redden. Het idee achter zulke akkerranden is dat vogels er voedsel vinden om hun jongen groot te brengen. Maar zolang de graslanden waar akkervogels broeden elke maand gemaaid worden, gaan hun nesten toch verloren. Dat concludeert bioloog Marije Kuiper in haar proefschrift waarop ze vandaag promoveert aan de Wageningen Universiteit.

Akkerranden zijn populair. Boeren krijgen subsidie van de overheid als ze stroken langs hun akkers inzaaien met bloemen en grassen. Maar of vogels echt profijt hebben van zo’n akkerrand, is nooit goed onderzocht. „In Nederland wordt er jaarlijks zo’n 80 miljoen euro uitgegeven aan agrarisch natuurbeheer”, zegt Kuiper, „maar het interesseert blijkbaar weinig mensen of dat geld wel nuttig wordt besteed.”

Voor haar promotie onderzocht Kuiper de vogelstand rond akkers in het noordoosten van Groningen, met bijzondere aandacht voor de veldleeuwerik (Alauda arvensis). In de jaren 60 was de veldleeuwerik nog een van de meest voorkomende vogels van Nederland, met een populatie tussen de 750.000 en 1,1 miljoen broedparen. Maar in de jaren daarna holde de veldleeuwerik achteruit. Het aantal broedparen schommelt de laatste jaren rond de 60.000.

De achteruitgang van veldleeuweriken en andere akkervogels is vooral te wijten aan de intensivering van de landbouw. Heggen en akkerranden verdwenen, akkerbouwers gingen vaker één gewas verbouwen en meer bestrijdingsmiddelen gebruiken. Daardoor waren er voor akkervogels minder zaden en insecten om te eten en was er minder plek om te broeden.

Akkerranden zouden veldleeuweriken en andere akker – en weidevogels weer op de been moeten brengen. Maar dat was niet wat Kuiper vond. Rond akkers met akkerrand groeide de vogelpopulaties van tien verschillende vogelsoorten niet harder dan daarbuiten. De populatie veldleeuweriken kromp er zelfs gedurende de vijf jaar dat Kuiper haar onderzoek deed.

Leeuweriken weten de akkerrand wel te vinden, mits die akkerrand zich binnen honderd meter van het nest bevindt. Leeuweriken scharrelen ook meer voedsel bij elkaar in zo’n akkerrand. Nabij akkerranden krijgen jongen meer verschillende en grotere insecten te eten. Maar dat rijkere dieet levert niet meer leeuweriken op.

Veel veldleeuweriken broeden op graslanden, waar de sterfte onder jongen hoog is. Op grasland overleefde er per leeuwerikennest maar 0,14 jong, vond Kuiper, vooral doordat gras zo vaak gemaaid wordt: gemiddeld elke 33 dagen.

Leeuweriken die in akkers broedden waar luzerne werd verbouwd, brachten de meeste jongen groot, gemiddeld 1,14 per nest. Luzerne wordt maar twee of drie keer per jaar gemaaid. En dat gebeurt pas als de luzerne hoog staat. Leeuweriken broeden het liefste in velden met lage vegetatie, dus vlak nadat de luzerne is gemaaid.

Zolang er volop wordt gemaaid, heeft de leeuwerik dus een probleem. Kuiper ziet twee concrete maatregelen die de veldleeuwerik zouden kunnen helpen. De eerste is om minder vaak te maaien. „De boeren waarmee ik sprak zijn daar best toe bereid. Komend jaar begint er een proef.”

De tweede is om boeren stimuleren gewassen als luzerne te verbouwen. Momenteel worden boeren met €2.150 euro gecompenseerd voor elke hectare akkerrand die ze inzaaien – dezelfde opbrengst als een hectare graan zou geven. De compensatie voor een hectare luzerne zou maar €1.000 en 1.200 euro kosten.

Het proefschrift van Kuiper bevat, naast haar onderzoek, verschillende gedichten over de leeuwerik. „Natuurbeheer heeft ook een gevoelskant”, zegt Kuiper daarover. „Verdwijnen gaat vaak onopgemerkt. Pas als je mensen eraan herinnert, realiseren ze het: de zang van een leeuwerik, die hoorde toch echt bij een warme zomerdag.”