Op zoek naar een Marokko zonder taboes

Franse schrijvers van Marokkaanse afkomst proberen een brug te slaan tussen Oost en West. Ze stellen taboes aan de orde: homoseksualiteit, nymfomanie of ze voeren een kruistocht tegen het fundamentalisme.

Het Boulevard Festival in Casablanca, 2010
Het Boulevard Festival in Casablanca, 2010 Foto Polaris Images/HH

Kruiden, nagels, tanden, stukjes gedroogde huid en een paar haren, gesmolten boven een vuurtje, tot poeder geroerd en uitgestrooid voor de deur van een huis – meer is er niet nodig om liefde te blazen in een vrouwenhart. Dat ervaart Mohammed die verliefd is op Mina en haar koste wat kost voor zich wil winnen. Het toverpoeder doet haar hart smelten voor de jongen die ze eerder niet zag staan. Magie geeft het leven een onverwachte wending – tijdelijk althans, want de met toverspreuken verworven ‘nepliefde’ zal niet beklijven.

Mohammed en Mina zijn de hoofdpersonen in Liefde met een lok haar, de onlangs vertaalde debuutroman van Mohammed Mrabet, een icoon uit de orale literatuur van Marokko. Mrabet (1936), die behalve auteur ook beeldend kunstenaar is, kan zelf niet lezen of schrijven. Zijn verhaal sprak hij in op een bandje, dat daarna werd bewerkt en vertaald door de Engelse schrijver Paul Bowles (1910-1999), die lang met Mrabet bevriend was. Het verscheen in 1967 in als Love with a few hairs.

In 2009 kwam een eerste Nederlandse vertaling van Mrabet uit in de Berberbibliotheek, Manaraf. Het was een fantasievoller, ongrijpbaarder allegorie dan de nu verschenen liefdesvertelling. De hallucinerende beelden van vissen, vogels en zee, sterven en herboren worden vinden we niet terug in Liefde met een lok haar, ook al is de context herkenbaar. Ook Mohammed woont in Tanger, verkeert in het gezelschap van een rijke Brit, Mr. David, voor wie hij werkt en met wie hij slaapt – getrouwd of niet. Ook hij staat met één been in de moslimwereld en behoort met het andere de westerse cultuur toe.

Enerzijds roept hij de hulp in van een oude heks om het hart van een Marokkaans meisje te winnen, anderzijds drinkt hij vele glazen whisky met Europese gasten en verleent hij zijn baas homoseksuele diensten. In die zin behoort Mrabet tot de voorhoede van de huidige generatie ‘écrivains marocains du monde’, zoals het Institut du Monde Arabe in Parijs hen deze maanden in zijn programma noemt: een keur aan schrijvers die Marokko hebben verlaten en in het Arabisch, Frans, Engels, Spaans, Nederlands of in een andere taal een brug slaan tussen het ‘imaginaire’ van hun oorspronkelijke cultuur en hun westerse leefwijze.

Fatwa

In Frankrijk gelden ook Abdelkader Benali en Saïd El Haji als auteurs die worden ‘gedreven door een razende behoefte te schrijven’, mede gekleurd door de cultuur van hun land van oorsprong. In de literatuur kunnen grenzen worden overschreden die elders gesloten blijven, er kunnen uitspraken worden gedaan die in het dagelijks leven tot een fatwa zouden leiden en er kan gedrag worden vertoond dat normaliter onherroepelijk tot vervolging zou leiden.

Neem de hoofdpersoon uit Dans le jardin de l’ogre, de debuutroman van de jonge Frans-Marokkaanse schrijfster en journaliste Leïla Slimani (1981), met wie het tijdschrift Bledmag (gesponsord door het ministerie dat zich bezig houdt met Marokkanen die zich in het buitenland bevinden) deze maand breed uitpakt. Adèle lijkt zo op het eerste gezicht een voorbeeldig leven te leiden. Ze is journaliste en gespecialiseerd in de Arabische wereld, echtgenote van een arts en moeder van een peuter. Maar ze leidt een dubbelleven: ze is nymfomane, verslaafd aan seks. Een dag is pas geslaagd als haar allesoverheersende seksuele behoefte is bevredigd, door wie dan ook, alle mannen zijn goed, als ze maar hard en stevig, liefst wreed te keer gaan. Slimani, dochter van een Marokkaanse bankier en een Frans-Algerijnse arts, neemt geen blad voor de mond en schetst de verslaving van Adèle in niets verhullend, klinisch taalgebruik dat bij tijd en wijle aan Catherine Millet doet denken. Van genot is echter geen sprake. Wel van eenzaamheid, schaamte en innerlijke leegte. Geïnspireerd door de DSK-affaire schetst Slimani intense, kille begeerte in een vrouwelijke gedaante – een ziektebeeld dat gepaard gaat met leugens, bedrog en de onvermijdelijke uiteindelijke ontmaskering.

In de Marokkaanse literaire wereld bracht het boek de nodige opschudding teweeg. Een boek over ‘een verloren ziel die niet weet te genieten van wat het leven haar brengt’, schreef het tijdschrift Jeune Afrique zuinigjes, terwijl gelauwerd auteur Tahar ben Jelloun Slimani’s durf en talent volop omarmde. ‘Als je in een land als Marokko woont, zie je dat de verboden die er gelden ten aanzien van seksualiteit een vreemde verhouding tot het lichaam tot gevolg hebben’, zei Slimani in een interview, ‘alles gebeurt in het geheim, in een soort malaise’.

Dans le jardin de l’ogre is een knap geschreven, grensoverschrijdende roman van een Marokkaanse debutante die op geen enkele wijze naar haar origine verwijst (of het moest zijn in de naam van de vader van Adèle, Kader) en zonder met haar ogen te knipperen de cultuur van verzwijgen en wegkijken in haar geboorteland doorbreekt.

Hoogtepunt

Hetzelfde doet Fouad Laroui (1958) in zijn voor de Goncourt genomineerde en met de Prix Giono bekroonde, recente roman Les tribulations du dernier Sijilmassi. Het is het voorlopige hoogtepunt in een oeuvre van romans, korte verhalen, essays en journalistieke en wetenschappelijke artikelen van de in Amsterdam docerende, Frans-Nederlands-Marokkaanse schrijver, econometrist en ingenieur.

In het boek, dat uitermate geestig, spiritueel en bij vlagen briljant is, stelt ingenieur Adam Sijilmassi zich de vraag wat hij eigenlijk doet in dat toestel van de Lufthansa, boven de zee van Andaman. Is hij nu echt op aarde om asfalt te verkopen? Waarom vliegt hij met enorme snelheid de aardbol rond terwijl zijn voorouders zich nooit anders dan per ezel konden verplaatsen? Waartoe? Waarom? Hoe komt het dat hij zodanig verwesterd is dat hij iedere voeling met zijn afkomst is kwijtgeraakt?

Adam neemt zich voor zijn leven drastisch te veranderen. Authentiek wil hij worden, terug naar zijn roots. Hij zegt zijn baan op, raakt zijn huis kwijt, daarna zijn vrouw en keert te voet terug naar zijn geboorteplaats in Marokko. Zijn hoofd zit vol met citaten uit de Franse literatuur: Dumas, Hugo, Mallarmé, Baudelaire – waaraan hij ook denkt, er komt een Franse dichtregel bij hem boven. Geen Marokkaanse, geen Arabische. Adam is Frans tot in zijn haarwortels, vervreemd van de cultuur van zijn geboorteland. Kon hij Voltaire en Diderot maar vergeten.

In het huis van zijn voorouders vindt hij – ouderwetse vertellerstruc – een kist met Arabische geschriften uit voorbije eeuwen: Ibn Rushd (beter bekend als Averroës), Ibn Tofail, Ghazâli, de grote Arabische humanistische denkers, die verwant zijn aan de verlichtingsfilosofen, zonder dat iemand zich dat realiseert.

Terwijl hij de oude boeken bestudeert, zorgt zijn stille aanwezigheid in het dorp voor de nodige onrust. Ongewild wordt hij de spil in een politiek spel. De staat brengt helderheid, vindt de dorpsbewoner die geen onderwijs heeft genoten. De intellectueel daarentegen veroorzaakt alleen maar onrust en gevaar. Begin een sekte waar het dorp baat bij heeft of verdwijn.

Hier komen we bij de kern van Laroui’s oeuvre: een nooit aflatende strijd tegen het fundamentalisme, tegen de domheid. Hoe de ratio in te zetten tegen het obscurantisme? Hoe de muren van onwetendheid te slechten? Hoe het denken van Oost en West te verzoenen? Ook Laroui blijft het antwoord schuldig. Maar hij stelt de vraag, met veel humor, met doorzettingsvermogen en met indrukwekkende eruditie.

Zoveel is duidelijk: de nieuwe generatie ‘marocains du monde’ heeft definitief afgerekend met de tijd waarin een leven op magische wijze veranderd kon worden met een poedertje van kruiden, nagels, huid en haren.