Op schoot bij de popsterren

Ze lijken vrienden, de popster en de popjournalist. Dat is niet helemaal waar, maar men durft elkaar wel af en toe flink de waarheid te zeggen. Lees twee journalistieke popbundels, met elk een andere aanpak.

Debbie Harry (Blondie) in 1977
Debbie Harry (Blondie) in 1977

Peter van Bruggen treft Blondie bloot in bed en gaat met haar shampoo kopen; hij gaat langs bij de wc-juffrouw van de Hamburgse nachtclub waar The Beatles ooit begonnen en geeft met zijn Volkswagenbusje een lift aan de Sex Pistols.

Nu de klassieke popartiesten hun memoires publiceren, is het ook tijd voor de memoires van de veteranen uit de popjournalistiek. Want zij waren erbij. Zij hebben nachtenlang met de sterren geouwehoerd, gedronken, gelachen. Flink opsnijden hoort bij die memoires. Want die popsterren, dat waren toch eigenlijk dikke vrienden? Niks kritische afstand, je moet bij de sterren op schoot kruipen en daar op romantische spierballentoon over vertellen.

Een goede vriend moet je stevig de waarheid kunnen vertellen, is het credo van Peter van Bruggen. In zijn verzamelbundel Logeren bij Lou beoefent hij een verfijnde vorm van opschepperij. Hij benadert de artiesten als gelijken. Met de vrouwen Debbie Harry (Blondie), Chrissie Hynde (Pretenders) en Patti Smith flirt hij ongegeneerd en de mannen durft hij gewoon kritiek te geven. Zijn voornaamste wapenfeit is niet dat hij gelogeerd heeft bij Lou Reed, zoals de titel stelt, maar dat hij hem heeft tégengesproken. Lou Reed geldt als een van de grootste hufters in de popmuziek, dus dat is zeker een verdienste.

Van Bruggen is in 1978 bij de montage van het live album Live: Take No Prisoners. Lou Reed wil op zijn album een versie zetten van Pale Blue Eyes, waarop hij lelijk improviseert. Als Van Bruggen zegt dat hij liever de originele melodie hoort, scheldt Reed hem uit voor ‘traditionele asshole‘. Van Bruggen antwoordt: ‘Jij hebt al die songs al duizend keer gehoord, en daarom wil je hem nou wel eens anders zingen. Maar misschien wil ik liever die mooie melodie horen, ook al ben jij er op uitgekeken.’ Iedereen die wel eens een concert van Bob Dylan heeft bijgewoond (raad een lied, raad een lied), weet dat Van Bruggen hier een wezenlijk meningsverschil uitspreekt tussen fan en ster.

Geen illusies

Het pochen zit vooral in de reacties van de popsterren: eerst zijn ze even gepikeerd, maar dan zijn ze blij met de eerlijkheid van Van Bruggen en laten ze hem toe tot hun entourage. Van Bruggen maak zich trouwens geen illusies over hoe diep de vriendschap is: bij een volgende ontmoeting herkent Lou Reed hem niet meer.

Popsterren hebben helemaal geen zin in die obligate interviews, en ze leveren dan ook bar weinig op. Terecht kiest Van Bruggen dan ook voor de reportage – the making of het interview – hij schetst hoeveel moeite hij doet om de tegenstribbelende sterren te interviewen, wat voor snedige dingen hij tegen ze zegt, maar van de vraaggesprekken geeft hij weinig weer. Uit die reportages blijkt dat popsterren eigenlijk een vreselijk zeemansleven hebben. Altijd op tournee, leven in restaurants en hotelkamers, seks en drugs tot het je neus uitkomt.

Punkhelden

Nadeel van dit soort popbundels is dat ze vaak gericht zijn op de blanke supersterren uit de jaren zestig en zeventig. Ook dit keer ontbreken The Beatles, Rolling Stones en Dire Straits niet. Voor zwarte musici is weinig oog, terwijl zij voor de vernieuwing in de popmuziek zorgen. Zo noemt Van Bruggen 1976 ‘een slecht muziekjaar’, achteloos voorbijgaand aan Songs in the Key of Life van Stevie Wonder, de lancering van George Clintons Mothership, Black and Blue van de Stones en het debuut van de Ramones. Gelukkig bekeert hij zich tijdig tot de punk en new wave, zodat ook de punkhelden allemaal langskomen. Van Bruggen beschrijft ze als domme kinderen. Jammer is dat hij zijn verzameld werk onbewerkt opdient. Bijzondere reportages, mooi geschreven, maar datering zou handig zijn geweest.

Cultuurjournalist Rob van Scheers, biograaf van Paul Verhoeven, heeft in Drie akkoorden en de waarheid een verrassender vorm gevonden voor zijn popverhalen. Aan de hand van popliedjes behandelt hij het leven, van de wieg tot het graf. Drank. verliefdheid, overspel en scheiding, natuurlijk. Maar ook: moeders, Kaïn en Abel, taxi’s, alimentatie, bankroet. Zo ontstaat een soort Theme Time Radio Hour with your host Rob van Scheers. De titel en de inleiding zijn irritant hoogdravend (‘Een goed popliedje is als een polaroid uit het volle leven’) maar daarna blijkt die levensloop een aangename kapstok om er van alles losjes aan op te hangen: interviews, verhalen, reportages, leuke lijstjes (dokters, getrouwde en weer gescheiden popstellen) en vele aanstekelijke liedjes.

Van Scheers toont zich niet zo eenkennig als Van Bruggen. Ruimhartig besteedt hij ook aandacht aan crooners Tony Bennett en Frank Sinatra en aan jazztrompettist Chet Baker. Hij eindigt zelfs met Arvo Pärt, de Estse componist van neogregoriaanse spirituele muziek.

Ook Van Scheers heeft zo’n triomfantelijk moment dat hij zo’n verwende popster eindelijk eens de waarheid zegt. Nadat Chuck Berry, ook een gereputeerde hufter, hem een dag aan het lijntje heeft gehouden, neemt Van Scheers afscheid met: ‘Fuck you, Chuck.’ Chuck Berry geeft hem geen gelijk.