Minder zakgeld van het Rijk, meer van de burger

Het kabinet wil dat gemeenten meer belasting gaan heffen - en het Rijk minder. Dan zijn ze straks minder afhankelijk.

Het Sportfondsenbad in Rotterdam-Noord. Foto Walter Herfst
Het Sportfondsenbad in Rotterdam-Noord. Foto Walter Herfst

Het zat eraan te komen. En het komt er nu ook echt aan. Het kabinet wil dat gemeenten meer belasting gaan heffen – en het Rijk minder. Dat is de belangrijkste boodschap van de ‘Agenda Lokale Democratie’ die minister Plasterk (Binnenlandse Zaken) gisteren aan de Tweede Kamer stuurde. De agenda bestaat uit een reeks voorstellen om de lokale democratie te versterken. Meer inningsmacht, krachtiger rekenkamers, versterking van burgerparticipatie.

De belastingbetaler hoeft zich geen grote zorgen te maken. Het kabinet is niet voor meer belastingen, maar voor meer lokale belastingen. „Uitgangspunt”, schrijft Plasterk, is dat de totale „belastingdruk” voor burgers niet toeneemt. Kortom: als gemeenten meer belastingen gaan heffen, dan zal het Rijk dat minder gaan doen. Minder inkomstenbelasting bijvoorbeeld. Plasterk en staatssecretaris Wiebes (Financiën) onderzoeken hoe die hervorming van het belastingstelsel er precies moet uitzien. Een datum voor een nieuw stelsel is er nog niet. Maar Plasterk neemt er in zijn agenda een belangrijk voorschot op.

Gemeenten zijn op 1 januari een stuk machtiger geworden, door de decentralisaties. Ze zijn nu verantwoordelijk voor kwetsbare kinderen, kwetsbare ouderen, kwetsbare werknemers. Het opgetelde budget voor gemeenten is liefst anderhalf keer zo groot als vorig jaar.

Financieel ingesnoerd

Maar op één vlak zijn gemeenten onmachtig: belastingheffing. Belangrijkste inkomstenbron is nog altijd het gemeentefonds, zeg maar het jaarlijkse zakgeld van het Rijk. Lokale belastingen, zoals rioolheffing, beslaan opgeteld nog geen 17 procent van de gemeentelijke inkomsten. Dat maakt machteloos. Stel, een geliefd, gemeentelijk zwembad dreigt financieel ten onder te gaan. Om het bad te redden, tonen burgers zich bereid meer belasting te betalen. Dan kan dat nu niet. Gemeenten zijn financieel ingesnoerd. Dat moet anders, vindt Plasterk. Ook om burgers meer bij de lokale democratie te betrekken.

Zitten burgers daarop te wachten? Ja, zegt Plasterk. De verzuilde, „verticale” samenleving, zo schrijft hij, heeft plaatsgemaakt voor een „horizontale netwerksamenleving”. Burgers „willen meer invloed dan eens in de vier jaar stemmen”; de publieke zaak is niet langer een „overheidsmonopolie”. Ze richten energiecoöperaties en zorgcollectieven op, doen samen aan inbraakpreventie.

Recht op participatie

Aan de overheid de taak die trend te ondersteunen, schrijft Plasterk. Hij wil burgers een „formeel recht op participatie” verlenen. Het recht, bijvoorbeeld, om een plan voor buurtontwikkeling te maken. Plasterk pleit ook voor een sterkere rol voor dorps- en wijkraden in gefuseerde gemeenten. Want na een fusie voelen burgers zich minder betrokken en blijven ze jarenlang weg bij gemeenteraadsverkiezingen, zo meldde het Centraal Planbureau onlangs. Wijkraden – in een buurthuis op loopafstand – kunnen dat tij keren, hoopt Plasterk.

Al zou het ironisch zijn als Plasterk zijn plan voor meer burgerparticipatie van bovenaf oplegt. Dit is 2015, en dus noemt de minister zijn plan een „eerste aanzet tot een brede discussie” met burgers en gemeenten zelf.