‘Laat veel kolen, olie en gas in de grond’

Gaat de winning van olie, gas en kolen in dit tempo door, dan is de wereld in 2050 meer dan twee graden warmer.

Wil de internationale gemeenschap zijn klimaatdoel voor 2050 halen, dan moet het eenderde van de wereldwijd bekende oliereserves, de helft van alle gasreserves en 80 procent van de kolenreserves in de grond laten zitten. Dat betekent een flinke vermindering van de snelheid van de huidige olie-, gas- en kolenwinning. Gebeurt dat niet, dan stijgt de gemiddelde temperatuur op aarde meer dan 2 graden Celsius ten opzichte van het pre-industriële tijdperk.

Dat schreven twee Britse wetenschappers gisteren in Nature. Als kader gebruiken ze de hoeveelheid CO2 die tussen 2011 en 2050 naar schatting maximaal nog uitgestoten mag worden – het zogeheten koolstofbudget – om het klimaatdoel in 2050 te halen.

Soortgelijke analyses zijn eerder gemaakt, maar niet in zoveel geografisch en technologisch detail. Christopher McGlade en Paul Ekins, beide verbonden aan het University College London, hebben namelijk uitgesplitst wat het binnen het VN-klimaatpanel IPCC gestelde 2-gradendoel betekent voor tien regio’s en voor de verschillende categorieën kolen, olie en gas. Ze noemen hun oplossing „economisch optimaal”, waarmee ze bedoelen dat ze per fossiele brandstof eerst de duurste of meest vervuilende winlocaties wegstrepen. En zo verder, naar beneden. Andere verdelingen zijn natuurlijk ook mogelijk, schrijven ze.

De grootste CO2-indamming valt te boeken met het beperken van de kolenwinning. De drie gebieden met de grootste reserves steen- en bruinkool – de voormalige Sovjet-Unie, de VS en China/India – zouden respectievelijk 94, 92 en 66 procent van de reserves in de grond moeten laten zitten. Reserves beschouwen de onderzoekers als bronnen die met de huidige technologie en economische omstandigheden winbaar zijn. Die vormen een deel van de totaal winbare bronnen.

Verder zouden er binnen de Noordpoolcirkel per direct geen fossiele brandstoffen meer mogen worden gewonnen. En van de reserves aan teerzanden in Canada en zware olie in Venezuela zou respectievelijk 85 en 95 procent ongebruikt moeten blijven. Bij de winning en verwerking van deze oliesoorten komen relatief veel broeikasgassen vrij.

Van de oliereserves in het Midden-Oosten (689 miljard vaten op een wereldtotaal van 1.294 miljard) moet bijna 40 procent in de grond blijven.

Alle percentages worden iets, maar niet heel veel gunstiger bij grootschalige inzet van ondergrondse opslag van CO2. Tegen deze technologie is tot op heden veel weerstand. Uit de berekening van McGlade en Ekins wordt overigens niet duidelijk of ze andere bronnen van broeikasgassen (platbranden van bossen voor weiland bijvoorbeeld) meetellen voor het koolstofbudget. Dan zou de hoeveelheid kolen, olie en gas die in de grond moet blijven nóg hoger uitvallen.

De grote vraag is, gezien het economische en geopolitieke belang van fossiele brandstoffen, hoe dit moet worden gerealiseerd. In een bijgaand commentaar op het artikel schrijven Michael Jakob en Jérôme Hilaire van het Potsdam Institute for Climate Impact Research dat het alleen mogelijk is als gecompenseerd wordt voor het verlies van beoogde inkomsten. Ze geven hiervoor een aantal opties: betaling uit het VN-klimaatfonds, subsidies voor de aanleg van infrastructuur, of emissierechten gunnen (in het geval dat de wereld erin slaagt een mondiaal handelssysteem in emissierechten op te zetten).