... en wij moeten ons niet naar het kamp van Wilders laten drijven

Op een van de opnamen die door de Franse televisie zijn vrijgegeven van de aanval in Parijs hoor je de stem van een van daders. „Wij zijn de wrekers van Mohammed”, zegt hij. „Wij hebben Charlie Hebdo vermoord.” Want zo moeten we hun daad kennelijk zien. Het was niet alleen een goed voorbereide moordaanslag op individuele journalisten en cartoonisten, die de daders bij hun naam schijnen te hebben genoemd alvorens de trekker over te halen, maar bovenal op een blad, op een instituut en op de tradities en waarden die erdoor werden vertegenwoordigd. Charlie Hebdo moest dood, want Charlie dreef de spot met de profeet.

Volgens het gemiddelde gevoel voor humor van een fundamentalist is een standrechtelijke executie het meest passende antwoord op een grap. Waarheid en spot verdragen elkaar slecht. Humor is het instrument van de twijfel en van de relativering en kan daarom niet worden getolereerd door wie gelooft in een openbaring. Niets is voor humor heilig. En daarom is humor de gevaarlijkste tegenstander van de gelovige en de doodsteek voor al wat voor heilig wordt gehouden.

Een koelbloedige moordaanslag op tien journalisten en cartoonisten is een barbaarse daad, maar de aanval op Charlie Hebdo is zo mogelijk nog zorgwekkender, omdat het een oorlogsverklaring is van de haat van de zekerheid aan de bevrijdende lach van de geseculariseerde twijfel. Waar mannen met jurken het op lolbroeken hebben voorzien, staat de beschaving op het spel.

Wat evenmin erg grappig is, is dat je al helemaal kunt zien aankomen hoe de aanslag in Parijs zal worden gepolitiseerd. In Nederland zien we Geert Wilders vooraan staan om in alle toonaarden zijn verontwaardiging te uiten en op hoge poten een debat aan te vragen met de premier. Hij moet echt zijn best doen om zich in te houden en niet al te glunderend over te komen. Hij moet natuurlijk wel diep geschokt blijven kijken, al zou hij het liefste een juichend vuistje ballen, want die aanslag was werkelijk het beste wat hem kon overkomen.

Want daar had hij nou altijd voor gestreden: voor het recht moslims te beledigen. Dat recht noemde hij altijd vrijheid van meningsuiting om het wat sjieker te laten klinken. Sinds die aanslag zijn we opeens allemaal gedwongen het met hem eens te zijn en aan zijn kant te staan. Hij kan glorieus de rol van de onheilsprofeet spelen die ons allemaal al jaren heeft gewaarschuwd. Hij kan Charlie Hebdo annexeren, als moedige maker van Fitna en stoutmoedige dichter van de ‘minder, minder’ slogan. Zelfs zijn rechtszaak komt opeens in een ander licht te staan.