Een Zweedse bruiloftsnacht onder een gesternte van bedrog

De plaats van handeling in Stig Dagermans Bruiloftslied is een Zweeds boerendorp in de jaren veertig van de vorige eeuw. De dokter en de slager hebben een auto, de rest droomt van een motorfiets. Hier heerst de grootst mogelijke bekrompenheid. Iedereen bespiedt en haat elkaar, en allemaal samen haten ze het naastgelegen dorp.

Liefde tussen man en vrouw is iets uit de film; hier in Fuxe kennen ze alleen lust, en als dat tot reproductie leidt gaan jonge vrouwen haastig op zoek naar een bruidegom – niet noodzakelijkerwijs de biologische vader. Zo vindt ook het huwelijk tussen boerendochter Hildur en de twee keer zo oude slager Westlund plaats onder het gesternte van bedrog.

Met Westlund kan de lezer moeilijk medelijden hebben, aangezien hij zelf de ergste rokkenjager van het dorp is. Het mysterie van een onbekende die in de nacht vóór de bruiloft over het erf sluipt en op Hildurs raam klopt, brengt spanning in het verhaal. We maken de voorbereidingen voor de bruiloft mee en de feestnacht die op de ceremonie volgt, een Zweedse zomernacht vol drank en haring.

De gemoederen zijn verhit, maar de alcohol bevordert ook kortstondige, ruwe kameraadschap, voortkomend uit het besef dat het leven hard is voor iederéén. ‘Je moet nemen wat je hebt en je moet er blij mee zijn’ is de algemene moraal, hier verwoord door de trieste bruid. ‘Heb je geen leven dan moet je de dood nemen’, laat ze erop volgen, en dat moeten we letterlijk nemen, want in de stoet personages wier gedachten en emoties we vluchtig leren kennen, worstelen er minstens drie met doodsverlangen.

Het meervoudig, snel wisselend perspectief draagt niet bij tot betrokkenheid van de lezer met de personages, die merendeels ook weinig sympathiek zijn. Voor een realistische roman is dat een nadeel, maar misschien is het beter Bruiloftslied als een allegorie te lezen. In hun ondeugden (een enkeling in haar deugd) zijn de personages typen, wat overigens niet wil zeggen dat ze niet geloofwaardig zijn. Ook de hoge mate van metaforisch taalgebruik (‘de maan neemt zijn hoed af’), trekt het verhaal weg van het realisme – voeg daarbij nog de hallucinaties van diverse bruiloftsgasten, die even concreet worden beschreven als de rogge en de mesthoop.

Stig Dagerman (1923-1954) leed aan schizofrenie en pleegde zelfmoord. De flaptekst zwijgt over het getormenteerde bestaan van de auteur, waarschijnlijk op grond van het gerechtvaardigde principe dat het literaire werk centraal moet staan. Een krantenrecensie moet cruciale biografische informatie wél vermelden, maar wie Bruiloftslied (1949) gaat lezen, moet het tijdelijk vergeten, om te voorkomen dat men Dagermans ongewone proza te gemakkelijk als de bevestiging van een psychiatrische casus opvat.