Doodstil, winters Flevopark

Het Stadsarchief Amsterdam beheert ruim 30.000 tekeningen van de stad. In NRC telkens een werk uit deze schatkamer.

Op een doordeweekse winterdag is het doodstil in het park. Een enkele bezwete jogger, een ouder echtpaar dat vergeefs op zoek is naar narcissen. De geuren van de herfst zijn vervlogen en alles is kaal. Wat rest zijn stronken en omgewaaide stammen, die lichter en veranderlijker, levender lijken dan de roerloze bomen die in hun nauwgesloten bast wachten op het voorjaar.

Toen schilder Paul Werner (1930) hier zijn ezel opzette had het gesneeuwd, en de scherpe winterzon liet het hele park oplichten: het roodbruin van de bomen, de grijsblauwe spiegelingen in het water en het opvlammend geel van het riet. Werner stond aan de sloot langs de oude Joodse begraafplaats Zeeburg, die in 1713 werd gesticht en tot in 1942 in gebruik is geweest. Oorspronkelijk lag deze een eind buiten de stad, maar door de aanleg van de Indische Buurt kwam de stad in de twintigste eeuw heel dichtbij.

Naar idee van Jac.P. Thijsse werd het Flevopark tegen de begraafplaats aan gevleid, met aan de andere kant het toen nog gave natuurgebied rond het Nieuwe Diep.

Werken naar de natuur is voor Werner van levensbelang. De boom die hij portretteerde reikt met zijn takken naar de omgevallen boom aan de overzijde van het water. Een moment om even stil te zijn in deze gure tijden. De jas nauw gesloten, maar dromend van het voorjaar.