Topambtenaar Economische Zaken pleit voor minder detailregels

Wet- en regelgeving zit veel innovatie en vernieuwende bedrijven in de weg, schrijft topambtenaar Camps van EZ.

Hoewel de overheid actief beleid voert ten behoeve van innovatie, werpt de huidige Nederlandse (en Europese) wet- en regelgeving juist ook veel belemmeringen op voor innovatie, die hoog nodig is voor nieuwe economische groei en welvaart.

Dat stelt secretaris-generaal Maarten Camps van het ministerie van Economische Zaken in zijn traditionele nieuwjaarsartikel dat vandaag verscheen in het vakblad ESB.

Volgens Camps ligt het tempo van economische innovatie tegenwoordig zo hoog, dat veel wetten en regels bijna per definitief gedateerd zijn. Is er in de toekomst nog wel een rijbewijs nodig, als er alleen nog maar zelfrijdende auto’s bestaan, vraagt de topambtenaar retorisch in het artikel.

Wetgeving is volgens Camps vooral gericht op de bestaande marktordening, ter bescherming van de belangen van consumenten en bedrijven. „Er wordt door een oude bril naar nieuwe initiatieven gekeken en regelgeving wordt hoogstens te laat, op reactieve wijze aangepast. Hierdoor krijgen de belangen van zittende partijen en verworven rechten een zwaarder gewicht dan het belangen van de nieuwkomer.”

Als voorbeeld noemt Camps de opkomst van internetplatforms: Airbnb voor hotelkamers, UberPop voor taxiritjes of crowdfunding voor bedrijfsfinanciering. Die tasten de belangen aan van bestaande hotels, taxicentrales en banken. Maar zij leveren belangrijke bedrijvigheid op en bieden vaak goedkopere diensten aan consumenten. De overheid zou meer ruimte voor dit soort platforms moeten bieden, waar zij nu vooral met „wantrouwen worden bejegend”.

Daarnaast bestaat er volgens Camps veel „risicoaversie”: de overheid heeft een te „eenzijdige focus op risico’s in plaats van op kansen”. Terwijl genoemde internetplatforms heel goed in staat zijn om de kwaliteit van hun diensten in de gaten te houden.

De politiek moet zich volgens Camps veel minder bezighouden met gedetailleerde regels over wat wel en niet mag. In plaats daarvan moeten beleidsmakers zich richten op wat hij noemt „doelregelgeving”: regelgeving op hoofdlijnen in plaats van details. „Het vergt durf van de overheid om los te laten in het belang van zowel de werknemer als de consument.”