Opinie

Redactievergadering

’SAvonds bel ik een bevriende collega. Hij had me die middag tevergeefs proberen te bereiken, ik was onderweg naar de kapper – ja, het leven gaat door, vooral als je van niets weet. ,,Het komt ook zo dichtbij’’, zegt hij, nog altijd geschokt, ,,omdat je de situatie van zo’n redactievergadering kunt dromen.’’ Ik weet precies wat hij bedoelt, we hebben allebei lang in het vak gezeten, ook bij weekbladen.

Het is woensdagmiddag, het blad ligt in de kiosken, de plannen voor de komende weken moeten worden doorgenomen. Niemand heeft er veel zin in, maar het moet gebeuren, je ziet elkaar bij een weekblad toch al weinig. Er heerst gemoedelijk geroezemoes, de mensen die elkaar mogen gaan bijeen zitten, het kersverse nummer wordt snel doorgebladerd – eerst op zoek naar de plek van het eigen verhaal.

De vergaderzaal is eerder een zaaltje, want weekbladen hebben geen grote redactie. Eén lange vergadertafel is voldoende voor zo’n twintig aanwezigen. De hoofdredacteur kijkt om zich heen. Is iedereen er? Nou ja, A. natuurlijk niet, want die komt altijd te laat. De hoofdredacteur opent de vergadering.

Hij begint met een paar algemene mededelingen en gaat dan over naar het jongste nummer. Hij bladert het door, prijst hier en daar een artikel, geeft milde kritiek – de zielen van redacteuren zijn snel geschramd – en hamert vooral op de omissies. Waarom niet die reportage en dat interview? Hij had er nog zo dringend om gevraagd, maar niemand was beschikbaar, iedereen vond ‘zijn eigen onderwerp’ belangrijker. Maar om wie gaat het nou eigenlijk, de redacteur of de lezer? Hij noemt geen namen, maar iedereen denkt dat zijn buurman schuldiger is dan hijzelf.

Dan komt collega A. eindelijk binnen, ontspannen lachend, een bekertje koffie in de hand. Hij gaat zitten en heeft meteen het hoogste woord. De hoofdredacteur onderbreekt hem kalm, hij wil eerst van iedereen horen ,,waar hij mee bezig is’’. Het taaiste gedeelte van de vergadering, waarbij de matigste redacteuren doorgaans het langst aan het woord zijn. Zij leggen uit waarom hún onderwerp zo’n uniek ei is, dat nog minstens een maand behoedzaam uitgebroed moet worden.

Dan ontstaan de eerste botsingen. Collega B. vraagt aan collega C. hoe het komt dat hij bij de concurrent al zoveel over dit onderwerp heeft kunnen lezen. Collega D. valt hem bij. Er beginnen korte, felle duels, geheel langs de lijnen van sympathie en antipathie die door zo’n redactie – een soort uitgebreide familie - lopen. De hoofdredacteur ziet toe, tamelijk machteloos.

Zou het ook bij Charlie Hebdo zo ongeveer gegaan zijn op die fatale woensdagmorgen? Het was een nogal oude redactie, heb ik begrepen, gevormd door mensen die elkaar in de libertijnse jaren zestig hebben leren kennen. Er zal veel wederzijds respect zijn gegroeid, maar ongetwijfeld ook veel oud zeer. Bij families horen nu eenmaal vetes. In de redactie van Charlie zaten bovendien veel kunstenaars-cartoonisten, ook niet de buigzaamste ego’s.

Toch zal een wij-gevoel overheerst hebben: wij tegen de rest van de lullige, halfzachte, hypocriete, goedgelovige en godgelovige wereld.

Je moet er niet aan denken hoe zij, halverwege hun vergadering, opgeschrikt werden door geweerschoten in het gebouw. Het tumult kwam snel naderbij, ze keken elkaar verbijsterd aan, sommigen vluchtten weg, anderen bleven verlamd zitten. In een flits was alles voorbij. Alles.