Nooit meer lachen

Tv-rubriek EenVandaag berichtte dinsdag dat wij steeds minder lachen. De bron werd niet gegeven, maar er zijn statistieken die laten zien dat wij in de jaren vijftig 18 minuten per dag lachten, en nu nog maar 6. Een fascinerend gegeven. 18 minuten per dag, elk wakend uur een kleine minuut lachen, is dat niet wat veel? Terwijl ik dit schrijf, is het lunchtijd en ik denk niet dat ik vandaag al een minuut heb volgelachen. Als ik een jarenvijftigscore wil halen krijg ik het nog druk. (Terwijl ik dit schrijf worden in Parijs tien humoristen afgeslacht door jihadisten met machinegeweren.)

Na vijf jaar bezetting door een van de meest humorloze naties ter wereld konden onze lachspieren wel wat oefening gebruiken, dat inhaaleffect moeten we misschien in mindering brengen, maar wat is in dit opzicht ‘normaal’? En waar is veel lachen een indicatie van? Ik vermoed argeloosheid.

18 versus 6, het is verschil is zo groot, onze huidige score móet haast aan de lage kant zijn. Terwijl er toch heel wat meer lachprikkels voorhanden zijn dan toen, maar misschien is dat juist de verklaring. Op de archiefbeelden die EenVandaag als illustratie gebruikte, zie je twee mannen aan een cafétafel, de één kraait van het lachen om iets wat de ander gezegd heeft. Wij hebben op elk gewenst moment toegang tot professionele humor, zijn we daardoor verwend en afgestompt? Zoals porno niet tot meer echte seks leidt maar juist tot minder?

Die cijfers waren de opmaat tot een reportage over een ‘lachcoach’, die mensen helpt bij het lachen. We zien beelden van kantoorwerkers die bedrukt naar een kleurloze manager luisteren die staafgrafiekjes tekent, met deprimerende stippellijntjes van hoe het ooit was. Als hij straks klaar is met zijn sombere prognoses komt de lachcoach.

De jaren vijftig, het meest gehate decennium van de vorige eeuw – we zijn nog steeds bezig de laatste sporen ervan op te ruimen. Want wat zát Nederland dichtgeplakt en wat híng er een bedompte lucht van spruitjes, kolendamp en beknelde levenslust. Allemaal waar natuurlijk, maar kennelijk waren we wel op ons gemak. Want wat we samen met die dampen ook uitdreven was de duidelijkheid van het dorp en de veiligheid van het vertrouwde. De ramen moesten open, de deuren, de grenzen! De wereld werd een dorp. Het heeft welbeschouwd maar even geduurd; begin jaren zeventig trad het getob alweer in, en het hield niet meer op. Wat viel er te lachen? De verzorgingsstaat was een molensteen en de vreemdeling een koekoeksei. Snel weer dicht, die deuren en ramen, die schatkist en die grenzen.

Maar de wijde wereld was binnen. En de nerveuze gastarbeider die met zijn pet in de hand uit de bus kwam, draagt nu een bivakmuts en een kalasjnikov en kent het colofon van het spotschrift uit zijn hoofd. Nooit leren relativeren, nooit leren lachen. Niet van zijn ouders, niet van zijn priester, en van ons dus ook niet. Wie lacht is sterk, maar ook kwetsbaar. Beter van niet.

Zo dalen wij de duistere spiraal af, hand in hand af, de diepte in. De taal verscherpt, de standpunten verharden. Nieuwe grieven, nieuwe slachtoffers, nieuwe martelaars. Code geel wordt oranje en code oranje wordt rood. En die zes minuten worden er vijf, die vijf worden er vier – net zo lang tot niemand meer lacht. Ziehier de nieuwe wereldburger: nergens thuis, nergens veilig, nergens argeloos. Nooit meer lachen. Wij niet, zij niet.