Nog nooit is het een cartoonist gelukt om mij op de kast te jagen, schrijft Youssef Azghari

Hooligans v/d intolerantie

Soms schuiven alle gebeurtenissen in elkaar en bieden die ons een wanhopig makende actualiteit. Eergisteren wijdde het tv-journaal van France 2 een goed kwartier aan de beroemde schrijver Michel Houellebecq voor de promotie van zijn nieuwe roman Soumission, waarvan de intrige ons koude rillingen op de rug bezorgt.

Men is in 2022. Interetnische botsingen zijn dagelijkse praktijk in Franse steden. Extreem-rechts bereidt een burgeroorlog voor tegen moslims. De presidentsverkiezingen worden gewonnen door een zekere Mohammed Ben Abbes, die geleidelijk de sharia invoert.

Soumission is des te gevaarlijker omdat het goed is geschreven en opgebouwd. Helaas banaliseert het stilletjes het racisme. De verteller spreekt systematisch van „zwarten” of „Arabieren”. De Arabier is alleen dat: Arabisch. Hij kan niet Frans zijn. De verteller rept bijvoorbeeld van een groep „van een tiental Arabieren en twee Fransen”.

De dag na het overigens kleurloze optreden van Houellebecq richten twee gewapende mannen een ware slachting aan, laaghartig, gruwelijk, niet te rechtvaardigen, op het kantoor van Charlie Hebdo. De gruwelijke beelden trekken op het beeldscherm voorbij. Emotie en angst grijpen in Parijs om zich heen. Zijn dat de Fransen die Houellebecq systematisch „Arabieren” noemt?

Bij deze verpletterende samenloop van omstandigheden weet men niet meer wat te doen. Hoe moeten wij, vreedzame humanisten, ons tussen deze twee vuren beschermen tegen degenen die handel drijven met haat? Om de opstootjes van hooligans te ontlopen kunnen we altijd alles wat lijkt op een stadion vermijden. Maar de hooligans van de intolerantie zijn nu overal. Zal men in de stadions moeten vluchten om aan hen te ontsnappen?

, universitair docent. Gisteren stond hij op driehonderd meter afstand van de aanslag in Parijs.

Ook moslims aangeslagen

De moord op de twaalf Fransen, waaronder de cartoonisten van het satirische blad Charlie Hebdo die de profeet Mohammed regelmatig op de hak namen, is niet alleen een aanval op de vrijheid van meningsuiting maar ook een aanslag op alle moslims. Deze terroristische acties van een drietal criminelen raken de ziel van onze menselijke beschaving. Daarom verdienen deze monsters de allerhoogste straf. Kennelijk zijn deze laffe moordenaars, die onder een luide oproep van ‘God is groot’ in het wilde weg slachtoffers maakten, niet op de hoogte van islamitische waarden, zoals menselijkheid en barmhartigheid. Nog nooit is het een cartoonist gelukt om mij op de kast te jagen door symbolen van de islam grof af te beelden of aan te pakken. Integendeel, ik moest er vaker achteraf nog harder om lachen, vooral om wat het teweeg bracht aan felle reacties onder een deel van mijn geloofsgenoten. Zo voelden sommige moslims zich in 2005 zwaar beledigd door de afbeelding van een man met een bom als tulband. Toen ze op straat hun woede de vrije loop lieten, toonden ze hoe overgevoelig ze waren. En wat erger was, dat ze nooit hebben geleerd hoe om te gaan met vrijheid van meningsuiting.

Nu is dat te begrijpen als je ergens op het platteland in Afghanistan woont waar het merendeel nooit fatsoenlijk onderwijs heeft genoten. Helaas geldt het niet kunnen omgaan met vrijheid van meningsuiting ook voor een deel van jonge moslims die in het Westen zijn opgegroeid.

Youssef Azghari, auteur Mijn jihad. Waarom westerse waarden niet botsen met de islam.