Minimalistisch en menselijk

In het afgelopen jaar hoorde je haar naam al regelmatig rondzingen. Ze deed mee aan groepstentoonstellingen in Haarlem, New York, Zürich, Kassel, Milaan, Hannover en Lausanne. Het toonaangevende kunsttijdschrift Artforum besprak haar expositie in de Londense galerie The Approach. En de nieuwe directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, Beatrix Ruf, kondigde bij haar aantreden in november aan graag met haar samen te werken.

Maar 2015 belooft een nog succesvoller jaar te worden voor Magali Reus (Den Haag, 1981). Ze is druk bezig met de voorbereiding van een solotentoonstelling die op 2 mei opent in het Sculpture Center in New York, in juli doorreist naar The Hepworth in Wakefield en in oktober te zien zal zijn in de Westfälischer Kunstverein in Münster. Ze zal er haar koele, strakke sculpturen laten zien waarmee ze in korte tijd zo’n enorme internationale belangstelling wist te trekken. Zoals haar installaties met metalen blokkendozen die nog het meest op pastelkleurige koelkasten lijken, maar geen readymades zijn. Of haar composities van pannen, die ze zelf met de hand in de gewenste vorm hamerde.

Reus begon in 2001 aan de Gerrit Rietveld Academie, maar verhuisde na het basisjaar naar Londen om Goldsmiths College te volgen, waar ze in 2008 cum laude afstudeerde. In 2013 kreeg ze een residency aan de Rijksakademie in Amsterdam, maar inmiddels werkt Reus weer vanuit Londen.

Reus is duidelijk beïnvloed door de minimalistische beeldhouwtraditie van Donald Judd en Carl Andre – het formele, meedogenloze gezag van hun werk noemt ze een „onvermijdelijke erfenis”. Haar beelden hebben op het eerste gezicht dezelfde perfecte, industriële uitstraling. Wie beter kijkt, ontdekt al snel onvolkomenheden en smetten in haar installaties. Onder de gladde oppervlakken tref je handgemaakte vertalingen van verkoolde etensresten of verkreukelde takeawaybakjes. Achter die afstandelijke beelden blijken menselijke verhalen te schuilen. In die zin heeft het werk van Reus meer affiniteit met de maatschappelijk betrokken, verhalende beelden van Paul Thek en David Hammons.

Reus ziet schoonheid in alledaagse spullen en plekken. Ze liet zich inspireren door de industrieel vervaardigde opklapstoeltjes die te vinden zijn in de trein en wachtruimtes in de openbare ruimte. Ze is geïnteresseerd in de relaties tussen duurzaamheid en vergankelijkheid, tussen industriële producten en alledaags afval. Want waarom zou het één een interessanter beeldhouwmateriaal zijn dan het ander? Juist in de meest nederige materialen, vindt Reus, zijn er vaak „momenten van extreme elegantie, humor of ruïneuze schoonheid te vinden”.