‘Kunst helpt ons om de wereld beter te begrijpen’

Het Holland Festival heeft een nieuwe directeur, de Britse Ruth Mackenzie. Haar ideaal: topkunst voor een breed publiek dat ook zelf actief meedoet. „Come and join the elite!”

Ruth Mackenzie, directeur van het Holland Festival: „Het publiek verwacht een rijk aanbod met veel kleuren en smaken.”
Ruth Mackenzie, directeur van het Holland Festival: „Het publiek verwacht een rijk aanbod met veel kleuren en smaken.” Foto Martijn van de Griendt

Haar kamer, boven in het Muziekgebouw aan ’t IJ, vindt ze „marvellous”. Het panoramisch uitzicht over het IJ inspireerde zelfs de aankoop van een appartement op het KNSM-eiland. Een fijn fietstochtje, zou je denken. „Fietsen!? Oh nee, ik ben als voetganger al als de dood om overreden te worden”, lacht ze.

De vraag is hoeveel vrije uren Ruth Mackenzie (1957) überhaupt in haar Amsterdamse appartement zal doorbrengen. Ze combineert het directeurschap van het Holland Festival met een baan als „interim launch director” van The Space in Londen, digitaal kunstplatform van de Arts Council en de BBC – al verwacht ze dat die verantwoordelijkheid vanaf maart minder belastend zal zijn omdat ze dan geen directeur meer is. Daarnaast is ze – geen verrassing voor wie haar volgt op Twitter – 250 avonden per jaar van huis. „Ik ga erg graag naar voorstellingen en concerten. Het aanbod in Amsterdam benijdde ik al jaren. Jullie hebben Toneelgroep Amsterdam, het beste theatergezelschap ter wereld. Jullie hebben het Concertgebouworkest, een van de beste orkesten. Het Nationale Ballet, en De Nationale Opera – óók supertop. Al voor ik werd aangesteld kwam ik al veel en graag in Amsterdam. De Romeinse tragedies van TGA heb ik vijf keer gezien. Minstens.”

Publieksparticipatie

Mackenzie werd geboren in Reading, een universiteitsstadje op zestig kilometer ten westen van Londen. Met haar ouders, Zuid-Afrikaanse journalisten, woonde ze daarna in Londen. „Ik geloof dat ik een vrij lastig kind was”, vertelt ze. „Mijn redding was dat mijn ouders me meenamen naar de Finchley Childrens Music Group. Dat is een gerenommeerd kinderkoor dat gespecialiseerd is in eigentijdse klassieke muziek. Dáár leerde ik zingen en echt luisteren. Omdat we alle muziek noot voor noot tot samenklanken opbouwden, zijn de ‘moderne’ klanken in eigentijdse muziek nooit wezensvreemd voor me geweest.”

In Cambridge studeerde Mackenzie Engels en speelde ze ook zelf toneel – omringd door generatiegenoten als regisseurs Simon McBurney, Annabel Arden, Roger Michell en Stephen Fry. „Ik was een vrij slechte actrice”, zegt ze. „Schrijven en regisseren heb ik trouwens ook gedaan, en ook daarin waren anderen beter. Gaandeweg ontdekte ik dat ik wel een goede programmeur en producent was.” Achteraf bezien was vooral het koorlidmaatschap een levensveranderende gebeurtenis, zegt ze. „Als ik zelf niet actief aan de kunsten had deelgenomen, zat ik nu niet hier.”

Het is precies die kunstopvatting die Mackenzie – kek zwart jasje, hoge hakken, korte zilvergrijze coupe – onderscheidt van haar voorganger Pierre Audi, de artistiek directeur van De Nationale Opera die het Holland Festival tien jaar lang leidde. Onder Audi was er wel opera op een groot scherm in het Oosterpark, maar publieksparticipatie en interactie trof je in zijn programma’s niet of nauwelijks aan. Mackenzie besteedde bij haar programmering van de Culturele Olympiade in Londen (2012) juist opvallend veel aandacht aan publieksparticipatie. Er was een jeugdorkest samengesteld via YouTube-audities en vijf miljoen mensen dansten in de straten van Londen onder begeleiding van professionele choreografen. „Een van de beste manieren om mensen bij kunst te betrekken is ze deelnemer te maken en ze hun eigen creativiteit te laten ontwikkelen”, vindt ze.

Concrete projecten voor het Holland Festival wil ze nog niet noemen. Maar haar ogen beginnen te stralen als ze het heeft over de productie Bordergame van het National Theatre of Wales, waaraan ze onlangs meedeed. „Wij – het publiek – waren actieve deelnemers in een project over immigratie. Je was óf live een vluchteling, overgeleverd aan mensenhandelaren, of je deed online mee als grenspolitie. De kunst is altijd de online ervaring net zo spannend te laten zijn als de echte, maar hier was de verdeling goed: de online spelers hadden alle macht. Het was geweldig.”

Pierre Audi en Mackenzie hebben in hun smaak ook veel gemeen. Wie MacKenzies invulling van de Culturele Olympiade doorbladert, ziet voorstellingen van Robert Wilson, Peter Brook, Peter Sellars en Deborah Warner – dezelfde ‘gevestigde avant-garde’ als het afgelopen decennium de kleur van het Holland Festival bepaalde.

„Pierre en ik delen helden”, beaamt ze. „Mijn komst hier ontketent geen revolutie, I loved it as it is. Amsterdam neemt het festival een beetje voor lief, maar dit is een van de allerleukste eredivisiefestivals in Europa; een van de weinige plekken waar opkomende talenten én de allergrootsten worden getoond en omarmd.”

En Mackenzie heeft recht van spreken. Ze was programmeur bij de Wiener Festspiele, directeur van de Scottisch Opera en cultureel adviseur van de Britse regering, maar leidde ook al verscheidene culturele festivals: naast de Olympiade ook in Chichester en Manchester. Juist daarom is het Holland Festival haar ‘droombaan’, zegt ze. „Het gras is hier gewoon groener. Dat je een driedaags programma met de muziek van componist Luigi Nono kunt uitverkopen, dat is uniek.” Dat het festival ook een beetje een feestje zou zijn voor de happy few, wijst Mackenzie van de hand. „Met 82 procent zaalbezetting is de kaartverkoop extreem goed! Ik keek daar vanuit eerdere functies juist altijd jaloers naar. En dat publiek komt uit heel Nederland: maar 39 procent is Amsterdams.”

Natuurlijk is het een uitdaging om ook voor nieuw publiek met weinig geld je deuren te openen, erkent ze. „Iedereen verdient topklasse. Je hebt early adopters – onze vaste achterban – en mensen die wel ontvankelijk zijn voor topkunst, maar voor wie je meer moeite moet doen.” De nieuwe vormgeving van affiches en brochure is een eerste stap. Maar de oplossing schuilt wat haar betreft niet in populairder programmeren, zoals het festival poogde met voorstellingen als de Broadway-musical Fela! en War Horse. „Voor mij bestaat er geen tegenstelling tussen toegankelijk en excellent”, zegt ze. „Vergelijk het met sport. Daar betekent ‘elite’ gewoon: het beste. Maar in de kunst is elitair verdacht. Waarom? Onze kaartjes zijn een stuk goedkoper dan die van een voetbalwedstrijd. Dus ik zou willen zeggen: Come and join the elite!”

Dat sport voor een groot publiek gemakkelijker te volgen zou zijn dan kunst, vindt Mackenzie onzin. Met nadruk: „Daar ben ik het totáál niet mee eens! Kunst hoort bij de mens. Kijk naar de oertijd: we ontdekten vuur, vonden eten en zochten onderdak in een grot. Maar meteen daarna gingen we tekenen, elkaar verhalen vertellen en muziek maken. Kunst helpt ons onze wereld te begrijpen. Niet voor niets werden de meeste grote Europese kunstfestivals kort na de Tweede Wereldoorlog opgericht. Europa was verwoest, en wat gingen we doen? Kunst maken.”

Theatervernieuwers

Sinds de oprichting – in 1947 – heeft het Holland Festival een ‘traditie van vernieuwing’, stelt Mackenzie. Het ontdekte en koesterde vele muziek- en theatervernieuwers. Componisten als Stockhausen, Britten en Boulez. Theatermakers als Wilson, Brook en The Wooster Group. Choreografen als Pina Bausch en Anne Teresa De Keersmaeker. Een kanttekening daarbij is dat wie 65 of 30 jaar geleden vernieuwend was, dat nu niet altijd meer is.

Mackenzie draait die gedachte liever om. „Dat je als kunstenaar lang meedraait, wil niet zeggen dat je op safe speelt. Pierre Boulez is straks negentig, maar hij staat op het festival omdat hij al zijn hele carrière vernieuwend is. Ik doe niet aan leeftijdsdiscriminatie; jonge mensen hebben niet het monopolie op vernieuwing! Maar we moeten ook de Boulezen en de Wilsons van twintig en dertig vinden. Waar het mij om gaat, is dat het festival in 2025 nog net zo innovatief is als het in de beginjaren was.”

Het programma van 2015 wordt eind deze maand bekendgemaakt – eerder dan voorheen, om de verkoopperiode te verlengen. Vier producties werden al onthuld voor Kerst. Boulez is daarbij. Maar ook de opera The End van de Japanse componist Keiichiro Shibuya (41), met in de hoofdrol het bizarre tienerpopidool Hatsune Miku: een zingend hologram in schooluniform. Mackenzie, lachend: „Als dat geen verjonging is! Miku is in Japan een fenomeen; ze heeft 2,5 miljoen Facebookvrienden, goeddeels onder de twintig, en verzorgde het voorprogramma voor Lady Gaga. Natuurlijk is het vreemd: een opera met een hologram als hoofdpersoon, met een stem uit de computer. Ik was vooraf heel sceptisch. Maar toen ik de voorstelling zag, moest ik huilen – net als driekwart van het publiek.”

Van de rest van het programma wil Mackenzie één troef al wel onthullen: in het Concertgebouw komt een evenement in navolging van The Proms in de Royal Albert Hall in Londen, dat wel eens is omschreven als ‘het meest democratische muziekfestival ter wereld’.

Het idee van de ‘Amsterdamse Prom’: twaalf uur klassieke muziek door de beste orkesten ter wereld in het Concertgebouw, opgedeeld in vier concertblokken die elk toegankelijk zijn voor 10 euro per plaats. Let wel: staplaats. Zonder stoelen kunnen in het Concertgebouw tweeduizend mensen naar muziek luisteren alsof ze op een popfestival zijn. En wie liever zit, kan terecht op een van de zevenhonderd duurdere zitplaatsen op podium en balkon. Mackenzie: „The Proms zijn een geweldig concept. Omdat de kaarten goedkoop zijn, maar ook omdat de ervaringsvorm anders is – en daarmee de sfeer. Klassieke muziek wordt er informeler van als iedereen staat of ligt, toegankelijker.”

Eén nadeel: financieel zal de Amsterdamse Prom het Holland Festival niet veel verder helpen. Bij de cultuurolympiade kon Mackenzie werken met 100 miljoen. Bij The Space met 16 miljoen. Bij het Holland Festival moet ze het doen met 6 miljoen – een zeer krap budget in vergelijking met vergelijkbare festivals elders in Europa.

„Dat is een groot punt van zorg”, erkent ze. „Het dwingt je het allerbeste te kiezen, terwijl je toch ook avontuurlijk moet zijn. Dat je daarvoor bijna alles in samenwerking met andere instellingen moet produceren, vind ik niet erg. Dat is gewoon slim omgaan met gemeenschapsgeld. En zoals Boulez ooit zei: de beste waakhonden hebben honger. Weinig hebben maakt gretig en alert. Ik moet ons budget zo creatief mogelijk gebruiken, daar ben ik zeer zorgvuldig in.”

Onder Audi is het festival gegroeid. Producties worden of van elders ingevlogen, of met andere partners gecoproduceerd. De optie te kiezen voor een minder omvangrijk, maar meer ‘eigen’ programma, wijst Mackenzie van de hand. „Het publiek verwacht een rijk aanbod met veel kleuren en smaken. De oplossing is geen kleiner programma, maar een groter budget. We hebben dringend meer bemiddelde vrienden nodig. Dat gaat ook lukken. Ons merk is sterk, het bereik groot. En het kan nog groter.”