Is het delen van die prenten wel zo belangrijk?

Dat preken voor eigen parochie werkt niet, vindt Walt van der Linden.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Exact tien dagen voordat mijn geliefde satirisch tijdschrift Propria Cures zijn 125-jarig bestaan viert met een knalfuif, heeft Charlie Hebdo tien doden te betreuren.

Toegegeven, de verschillen tussen Charlie Hebdo en PC zijn legio: zo is de oplage van Charlie zo’n vijftig keer hoger, en heeft PC bij mijn weten slechts één keer de profeet in prent durven te bespotten, via een haastig gekrabbelde en volstrekt inwisselbare stickman waar ‘Mohammed’ boven geschreven stond. Toch kan ik niet ontkennen dat ik als PC-redacteur verwantschap voel. Beide redacties maken deel uit van de ridderorde die de nobele taak heeft het vrije woord te verdedigen. En daarom was ik de ‘Je suis Charlie’-slogan (tijdens de Parijse demonstratie al snel vervangen door het veel logischere ‘Nous sommes Charlie’), al ruim voor middernacht meer dan zat. Wie zijn die halvegaren, dacht ik, die menen dat het veranderen van een profielfoto of het ‘sharen’ van een spotprent werkelijk enig verschil maakt? Ja, geschokt, dat zijn we allemaal. Maar sommigen zijn wellicht nét wat meer Charlie dan anderen. Het toe-eigenen van onze strijd via een stupide slogan getuigt van een stuitend gebrek aan respect voor het niet geringe offer dat wij, manhaftige satirici, dagelijks brengen op het altaar van de democratie.

Zeg eens eerlijk. Vond u het bovenstaande... ergerlijk? Zelfvoldaan? Kwetsend, wellicht? Voelde u iets, of begon u zelfs allerlei meningen te formuleren, terwijl u het las? Hoera! U bent vatbaar voor satire.

Goede satire is als een goede cv-ketel: hij laat je niet koud. Hoe subtiel of frivool ook: het blijft spot, en wie spot, valt iets aan. De grenzen van de zelfspot dienen te worden overschreden en die van het betamelijke moeten op zijn minst worden verkend. Er zijn soms agressieve reacties: je bent onvolwassen, een etterbak die liefde tekort komt, soms een racist, seksist of haatzaaier. De meest voorkomende reactie? Wat je doet, is makkelijk. En inderdaad, het is ook makkelijk, want mensen overschatten hun vermogen om om zichzelf te kunnen lachen. Dat kunnen wij namelijk allemaal geweldig. Totdat die roman waar jaren aan geschaafd is wordt afgefikt, of de moedervlek boven onze wenkbrauw, die ons al sinds de puberteit obsedeert, in een bijzin voorbijkomt.

En dus is het hartverwarmend om te zien dat mensen en masse de straat op gaan om te demonstreren voor het recht om door etterbakken als ik belachelijk te worden gemaakt. De grenzen zullen altijd onderwerp van discussie blijven. Maar dat zelfs de meest provocerende godslasterlijke spotprent niet met raketwerpers en kalasjnikovs mag worden bestreden, daarover zijn wij het in ieder geval roerend eens. Gelukkig maar. En dat bedoel ik niet eens sarcastisch. Het is een enorme verworvenheid dat wij verschillen in opvatting tegenwoordig via debat, discussie en stembus tegemoet treden. We vergeten al te gemakkelijk dat deze verworvenheid een recente is, of dat de islam niet de enige levensbeschouwing is met aanhangers die bereid zijn haar absolute waarheden met geweld te verdedigen – of aan anderen op te dringen.

Onze eensgezindheid onderstreept ook de betrekkelijke zinloosheid van het etaleren van deze mening. Onze gemeenschappelijke vijand, die zijn ongenoegen niet verbaal maar via geweld kenbaar maakt, voert ons discours niet. Satire bestaat bij de gratie van interesse in de standpunten van de ander en ontvankelijkheid voor sterke argumenten. Dialoog, democratie, tolerantie, die woorden maken geen deel uit van het vocabulaire van IS. Een extremist zal altijd zijn profeet verdedigen, zoals een crimineel of een lid van een motorbende (want let op, dat zijn twee totaal verschillende dingen) dat met zijn reputatie zal doen. Het recht om de prenten te publiceren staat niet ter discussie, en de suggestie dat degenen die dit doen het geweld over zichzelf afroepen is absoluut verwerpelijk; maar laten we ook niet doen alsof wij door het delen ervan een belangrijke strijd voeren. Het is preken voor eigen parochie.

Fijn dat we hebben vastgesteld dat wij inderdaad allemaal Charlie zijn. Nu kunnen wij proberen een antwoord te formuleren op de logische vervolgvraag: wie is hij eigenlijk?