Een romantisch eiland vol dunne filosofen

In het GEM in Den Haag is vanaf 14 februari een presentatie te zien van The Islanders, het project waar Charles Avery sinds 2004 aan werkt. In dit fictieve universum hebben alle eilandbewoners een filosofische inslag en een interesse in paling en kunst.

Bij elke nieuwe expositie van Charles Avery’s levenswerk The Islanders denk ik even aan Harry Potter. Planning, daar gaat het daarbij om, of noem het beheersing. De kracht van de Harry Potter-serie namelijk bestaat er voor een belangrijk deel uit dat de wereld die schrijfster J.K. Rowling over zeven boeken heen opbouwt zo coherent is, dat ze alle verhaallijnen zo consequent uitwerkt en met elkaar in verband brengt dat haar wereld onontkoombaar wordt. Maar: in hoeverre had Rowling die lijnen al bedacht toen ze begon aan de serie? Wist ze bijvoorbeeld bij deel een al welke nieuwe personages er in deel drie zouden opduiken? Had ze gepland dat in deel vier het Toverschool Toernooi uit de hand zou gaan lopen? En wist ze dat Dobby de Huiself in deel zeven het loodje zou gaan leggen?

Charles Avery (1973), die in februari een solo krijgt in GEM in Den Haag, zit op dit moment middenin dat proces. Met The Islanders bedacht hij, als een soort romantische God-schepper, tien jaar geleden een heel eigen wereld, The Island. Op exposities, maar ook in de boeken over The Island, schotelt de Schotse kunstenaar ons telkens nieuwe delen uit die wereld voor – delen die noodzakelijkerwijs fragmenten zijn van een veel groter geheel, noem het puzzelstukken, waartussen wij als toeschouwers zelf de meeste verbanden mogen leggen. Zo kun je wegdromen bij bomen waar grote kristalstructuren aan groeien, je verbazen over ‘Alephs’ met het formaat van olifanten, denken over een maatschappij waarbij iedereen filosofische belangstelling heeft en die vol staat met borstbeelden die getooid zijn met hoeden die verwijzen naar moderne kunstwerken, of je verdiepen in de vele filosofische of artistieke hints waarmee Avery gretig strooit.

Het maakt The Island bijzonder rijk, prettig en prikkelend – als toeschouwer ben je een ontdekkingsreiziger in een nieuwe, onbekende wereld. Maar tegelijk blijf je je voortdurend bewust van het gevaar dat je in die wereld kunt verdwalen: je hebt geen idee of je cruciale informatie hebt gemist, waar Avery naartoe gaat, of hij welbewust informatie achterhoudt, of er een groot goddelijk plan achter zijn wereld zit. En doet dat er eigenlijk toe?

Filosofisch statement

Avery begon The Islanders in 2004, naar eigen zeggen omdat hij zijn kunstenaarschap (dat al bestond uit beelden, tekeningen, objecten en noem maar op) tot dat moment te gefragmenteerd vond. Avery had behoefte aan een overkoepelend idee waarin al zijn soorten werk en alle ideeën een plaats konden vinden. En dus schiep hij een eiland, dat met nadruk niet als imaginair moet worden beschouwd – op zich al een intrigerend filosofisch statement. The Island heeft een hoofdstad, Onomatopoeia, waar bijna alle werken zijn gesitueerd, de bewoners zijn vaak opvallend dun en hebben grimmige blikken, en er lopen vreemde beesten rond, waarvan de Noumenon het fascinerendst is – zelf heb ik hem in Avery’s werk nog niet kunnen vinden, maar het feit dat zijn naam verwijst naar een object of gebeurtenis die alleen maar in de geest kan bestaan (het begrip noumenon is vooral bekend van Kant), maakt nieuwsgierig.

Tegelijk hebben The Islanders allerlei curieuze preoccupaties: zo houden ze enorm van eieren op gin (Henderon’s Eggs), zijn ze gefascineerd door palingen en door kunst. En wat Avery’s universum extra aantrekkelijk maakt: het komt in een rijke variatie van vormen. Om het geheel te begrijpen zijn Avery’s grote tekeningen het belangrijkst, want daarop laat hij scènes zien uit het leven van Onomatopoeia: de markt in de buurt van The Avenue of the Gods bijvoorbeeld (waar onder andere schedels, horloges en abstracte geometrische voorwerpen worden verkocht), een café (Heidless Magregor’s Bar) of ‘gewoon’ een groep mensen op straat. Het is allemaal heel prikkelend en aantrekkelijk: je blijft je verbazen over de rijkdom van Avery’s fantasie, er zijn op dit moment maar weinig artistieke oeuvres waarin je je zo prettig en diep kunt onderdompelen.

Toch wringt er ook iets – en dat zit ’m in de kloof tussen taal en beeld. Avery schept met The Islanders nadrukkelijk een wereld in beelden – taal is ondergeschikt, veel uitleg over The Island wordt er op tentoonstellingen niet gegeven. Zo stelt Avery subtiel allerlei klassieke modernistische kwesties aan de orde: ‘Kun je een verhaal vertellen met louter beelden?’ ‘In hoeverre verschilt de ervaring van de werkelijkheid op papier en in drie dimensies?’ Tegelijk trekt hij nauwelijks de consequenties uit die dilemma’s: Avery werkt de modernistische problemen die hij aanstipt niet uit, maar tekent en bouwt vrolijk door, zonder zich (bijvoorbeeld) af te vragen of de toeschouwer misschien af en toe niet wat meer (talige) uitleg nodig heeft, en of zijn steeds verder uitdijende wereld niet te fragmentarisch en onnavolgbaar wordt.

Dat slaat je als toeschouwer met dubbele gevoelens: je wordt aan de ene kant steeds nieuwsgieriger naar wat Avery zich eigenlijk tot doel heeft gesteld. Tegelijk lijkt hij de kunstgeschiedenis wel erg makkelijk als uitvlucht te gebruiken: de vorm van het verwijzen naar een onzichtbare onderliggende structuur plaatst zijn project nadrukkelijk in de conceptuele traditie, maar verder geeft zijn werk nauwelijks aanleiding om te geloven dat hij werkelijk in die traditie is geïnteresseerd. Daarvoor zijn de tekeningen te traditioneel verhalend en zijn beelden veel te ambachtelijk. Zo bekeken lijkt Avery’s ‘open’ concept verdacht veel op een excuus – wat meteen zou verklaren waarom Avery’s werk zelden is te zien op de grote, hippe biënnales en aanverwanten. Daar houden ze niet van conceptuele onmacht.

Tolkien

Beter lijkt het om te zeggen dat Charles Avery de J.K. Rowling, of misschien nog wel beter: de Tolkien is van de hedendaagse kunst. Volgens de strenge wetten van de moderne traditie kun je allerlei bezwaren hebben tegen zijn werk, maar dat maakt het nauwelijks minder aantrekkelijk. Avery zal de kunst vermoedelijk geen stap verder brengen, maar wie houdt van het oude, romantische principe van de kunstenaar die de toeschouwer als een ontdekkingsreiziger nieuwe werelden binnen leidt, verleidelijke dromen en fantasieën voorschotelt en je even laat ontsnappen uit de wereld van alledag mag Avery niet missen.

Rowling trouwens, schijnt het laatste hoofdstuk van Harry Potter al helemaal aan het begin te hebben geschreven en in een kluis te hebben gelegd (al moest het later nog wel worden aangepast). Misschien onderscheidt dat Avery van haar: hij lijkt werkelijk nog geen idee te hebben waar zijn project toe leidt.

In die zin is Avery veel minder een godheid die zijn eigen schepping bepaalt, maar loopt hij hand in hand met de toeschouwer The Island op, om zich daar net zo te verbazen over wat hij aantreft als jij. Conceptueel is dat misschien verwarrend, maar juist die verwondering maakt Avery’s oeuvre open en ongrijpbaar, en sympathiek.