Comeback van de flat

Een logische manier om de woningnood op te lossen, is verticaal bouwen. Laten we dus niet zeuren over ons uitzicht, maar de hoge flat verwelkomen, bepleit Pepijn Vloemans.

Illustratie Tjarko van der Pol

Sinds een half jaar is er tegenover ons appartement in Amsterdam een mierennest ontstaan van bouwbedrijvigheid. In het begin leek het nog op een grote renovatie, maar na een tijdje ontdekten we dat er een hele tweede verdieping op een bestaand schoolgebouw werd geplaatst. De conservatieve huiseigenaar in mij – laten we hem Mr. NIMBY (Not In My Backyard) noemen – was niet blij. Met de tijdelijke overlast kon hij nog wel leven, maar dat een deel van zijn uitzicht voorgoed verloren zou gaan, vond hij pijnlijk. De progressieve econoom in mij was echter wel tevreden. Want er zit een positieve kant aan die extra verdieping: als de school eenmaal af is, kunnen er theoretisch twee keer zoveel kinderen naar deze school – zonder dat er in Amsterdam een vierkante meter grond is bijgekomen.

Meer scholen, maar vooral meer woningen zijn hard nodig. Het is tijd voor een bouwoffensief in de hoofdstad. Want in steden als Utrecht en Amsterdam heerst een tekort aan betaalbare appartementen. Amsterdamse huren zijn historisch hoog: de gemiddelde huurprijs ligt inmiddels ruim boven de 19 euro per vierkante meter – wat betekent dat je al gauw 2.000 euro per maand kwijt bent voor een beetje gezinswoning. En in de eerste drie kwartalen van 2014 steeg de prijs van woningen in Amsterdam met 6,5 procent ten opzichte van het jaar ervoor. De gekte van voor de crisis is terug op de woningmarkt.

Dat is een slechte zaak. Stijgende huizenprijzen zijn goed voor degene die al een huis bezitten (de haves) maar rampzalig voor de rest (de have nots). Niet bouwen terwijl de vraag naar woningen stijgt, is elitair in de slechtste zin van het woord.

Steden als Amsterdam moeten daarom woningen bijbouwen, of ze zullen langzaam leeglopen en reservaten voor de rijken worden. Want hoe rijker mensen worden, hoe meer vierkante meter huisoppervlakte ze gebruiken. Hoewel het inwonertal van Amsterdam gestaag groeit, wonen er nog altijd minder mensen dan vijftig jaar geleden. Daar komt nog een culturele trend bij: het aantal alleenwonenden stijgt al jaren. En ook zij hebben gemiddeld meer vierkante meters nodig dan gezinnen. Alleen al om de bevolking van Amsterdam op peil te houden moeten er voortdurend woningen bij komen.

Leren van de fouten

En een logische manier om dat te doen, is de hoogte in bouwen. Daarmee bedoel ik niet dat we fouten uit het verleden moeten herhalen. Onder invloed van architecten als Le Corbusier geloofden planners tijdens de naoorlogse wederopbouw dat wonen, werken en vrije tijd strikt gescheiden dienden te blijven. Maar dat een woonflat ver buiten het stadscentrum niet zo’n goed idee is, bewijst het rommelige begin van de Bijlmer.

Maar we moeten de queeste naar meer verdiepingen niet zomaar opgeven. We kunnen ook leren van dit soort fouten. Het is tijd voor de comeback van de flat. Maar dan wel in de binnenstad. Dat hoog wonen samen kan gaan met een hoge kwaliteit van leven bewijzen levendige en dichtbevolkte steden als New York en Singapore.

Begrijp me niet verkeerd. Het laatste wat ik bepleit, is het platwalsen van historische binnensteden. De Amsterdamse grachtengordel is een architectonisch wonder dat geconserveerd moet worden. Maar de randen van een stad als Amsterdam smeken gewoon om bebouwd te worden met ranke woontorens. Amsterdam mag hierbij wel eens een voorbeeld nemen aan de energie waarmee er gebouwd wordt in Rotterdam – onlangs nog gekroond tot Europese stad van het jaar. In mijn dromen zie ik aan de noordoever van het IJ een skyline verrijzen die de Rotterdamse torens naar de kroon steekt.

Hoge gebouwen dienen niet alleen om steden betaalbaar te houden. Meer mensen op minder vierkante meters is ook cruciaal voor een ten diepste sociale activiteit: leren. „Omdat de essentiële eigenschap van de mensheid het vermogen is van elkaar te leren, maken steden ons menselijker”, schrijft de Harvard-econoom Edward Glaeser in zijn prachtige boek The Triumph of the City (2011).

Voordeel: meer toevallige ontmoetingen

Meer mensen betekent meer kans op toevallige ontmoetingen en meer innovatie door de kruisbestuiving van ideeën. De beste ideeën ontstaan in informele netwerken, en de steilste leercurves vinden niet online plaats, maar in het echt. Dit geldt zelfs voor het digitale tijdperk: een app bouwen of een website ontwikkelen, blijft een moeilijke taak waar voortdurend offline gesprekken voor nodig zijn. Steden zijn de motoren van economische groei.

Er is nog een heel andere reden om te houden van hoge steden: ze zijn inherent milieuvriendelijk. Wanneer het aantal inwoners van een stad verdubbelt, groeit de energiebehoefte minder dan je zou verwachten. Steden groeien niet lineair, maar superlineair. Wordt een stad twee keer zo groot, dan betekent dat er slechts 85 procent meer energie, elektriciteitskabels en wegen nodig zijn. Hoe groter de stad, hoe efficiënter deze wordt. Want appartementen zijn van nature goed geïsoleerd, omdat ze vele muren delen. En wie midden in een stad woont waar alles op loop- en fietsafstand ligt, doet sneller de auto de deur uit. Eco-woningen zijn leuk, maar dichtbevolkte steden zijn van nature enorme energiebespaarders.

Volgens economen bestaat er geen ‘free lunch’ – maar hoger bouwen komt wel aardig in de buurt. Waarom verrijzen de flats dan niet in een stad als Amsterdam? Het antwoord: de praktijk van verticaliteit is weerbarstig, wegens de behoudende aard van de mens. Achter iedere stadsdeur liggen huiseigenaren – de NIMBY’s – op de loer, klaar om te strijden voor iedere meter uitzicht en tegen ieder bestemmingsplan dat hun gepriviligeerde positie komt aantasten.

Is dat begrijpelijk? Jazeker. Is dat verstandig? Waarschijnlijk niet. Kijk maar naar New York. Honderd jaar geleden was Fifth Avenue in New York bebouwd met villa’s van de superrijken. Samen bepleitten ze bij het stadsbestuur een maximale bouwhoogte van zo'n 40 meter – door hogere gebouwen zou de straat een verschrikkelijke plek worden, meenden ze. Gelukkig verloren ze de strijd, werden de villa’s neergehaald en verrezen er wolkenkrabbers die New York vandaag tot New York maken.

De paradox is deze: goede steden moeten een deel van hun bestaande bewoners teleurstellen om toekomstige bewoners te kunnen blijven verwelkomen. Dat vergt harde en soms pijnlijke keuzes. Maar helemaal geen keuzes maken betekent het risico van matige innovatie en een garantie op hoge huren. Wie echt van zijn stad houdt, moet de NIMBY in zichzelf negeren.