8 hangijzers in cruciaal cultuurjaar

Voor de culturele instellingen wordt 2015 een belangrijk jaar. In april komt de Raad voor Cultuur met zijn advies voor de periode 2017-2020. Subsidieaanvragen moeten worden voorbereid. Welke discussies zullen gevoerd gaan worden?

illustratie monique wijbrands

Met de heisessies zijn ze al begonnen: de gezelschappen, musea, orkesten en andere culturele instellingen. Of ze zouden het rap moeten doen. Begin volgend jaar moeten ze hun subsidieaanvraag indienen voor de volgende subsidieperiode. Die vangt pas aan over twee jaar, op 1 januari 2017, maar dit jaar al worden de belangrijkste kaders gezet.

Alleen, wat vragen ze aan? Gisteren diende minister Jet Bussemaker (Cultuur, PvdA) haar adviesaanvraag in bij de Raad voor Cultuur. Eerder heeft ze al aangegeven dat ze het huidige subsidiestelsel vier jaar na de bezuinigingsoperatie van haar voorganger Halbe Zijlstra niet fundamenteel wil wijzigen. Ook lijkt het uitgesloten dat er geld bij komt om de bezuinigingen te repareren. Business as usual?

Nee, dat ook weer niet. Als de Raad voor Cultuur in maart met zijn advies komt en de minister later dit jaar dat advies overneemt, zal blijken welke culturele instellingen zich op moeten maken voor veranderingen en hoe het budget herverdeeld wordt. Dan weten de musea, orkesten en gezelschappen pas echt met welke plannen ze kansrijk zijn om zich vanaf 2017 van voldoende subsidie te verzekeren. Bovendien zullen ze dit jaar meer inzicht geven hoe ze de bezuinigingen hebben kunnen verteren; met de cijfers over 2013, de laatste die nu bekend zijn, is dat moeilijk vast te stellen.

De Raad voor Cultuur heeft na zijn Cultuurverkenning uit juni vorig jaar overal in het land debatten gehouden. Musea en orkesten hebben nota’s en visies geschreven. Uit dat alles is te distilleren waar in het subsidiestelsel wijzigingen verwacht kunnen worden en wat verlangens zijn. Ook is het de vraag of het huidige stelsel na de komende vier jaar nog kan overleven of dat vanaf 2020 toch grotere wijzigingen noodzakelijk zijn. Ook daarop zullen de instellingen zich alvast moeten oriënteren. En er zitten nog wat gaten in het stelsel. Hiernaast de acht punten waarover dit jaar ongetwijfeld nog veel gedebatteerd zal worden.

1 Meer of minder cultuurbudget?

Een hoger cultuurbudget zal er ook vanaf 2017 niet in zitten. Die boodschap heeft minister Bussemaker al verscheidene malen laten horen. Maar zelfs een stabilisering van de subsidies zou al meer culturele instellingen in problemen kunnen brengen. De waarschuwing van het Concertgebouworkest was op zijn minst opmerkelijk het afgelopen jaar. Hoewel het nauwelijks subsidie inleverde in de huidige periode, stelde het toch te vrezen voor oplopende tekorten. De reden: anders dan in het verleden worden de subsidies niet meer bijgesteld voor inflatie. De kosten voor bijvoorbeeld huur en lonen nemen wel toe. Over een periode van vier tot vijf jaar gaat het dan al snel om 4 tot 5 procent. En dat geldt niet alleen voor het Concertgebouworkest. Per instelling gaat het dan meestal om niet meer dan enkele tienduizenden euro’s tot enkele tonnen, maar berekend voor het hele cultuurbudget komt het neer op 30 tot 35 miljoen euro. Als het budget gelijk blijft dwingt het kabinet de culturele instellingen de kostenstijgingen op te brengen uit verdere verhoging van de bezoekers- en sponsorinkomsten en mecenaat. Verhoging van sponsorinkomsten en particuliere giften bleek in het eerste bezuinigingsjaar echter geen gemakkelijke opgave. Lukt dat ook de komende jaren niet, dan zijn verdere kostenbesparingen onvermijdelijk bij meer instellingen. En komen er meer oproepen tot subsidieverhoging zoals van het Concertgebouworkest.

2 Meer of minder instellingen subsidiëren?

In de lopende subsidieperiode (2013-2016) krijgen 83 culturele instellingen direct subsidie van het Rijk. Dat waren er meer: bij de bezuinigingen die staatssecretaris Zijlstra (VVD) per 2013 doorvoerde, werden festivals, ontwikkelinstellingen, sectorinstituten en productiehuizen geschrapt uit de ‘basisinfrastructuur’. De vraag is of er niet nog steeds te veel culturele instellingen direct uit diezelfde rijksruif eten. „Het Nederlandse kunstenbestel is te groot, te versnipperd”, schreef Melle Daamen, raadslid en directeur van de Stadsschouwburg Amsterdam, in deze krant. „Goed cultuurbeleid kiest”, vindt hij. „Dus minder instellingen, maar dan ook een betere financiële basis en niet knijpen op subsidie.” De Raad voor Cultuur heeft de afgelopen periode echter ook aangegeven witte plekken te zien: E-cultuurinstellingen, ensembles, festivals en instellingen voor talentontwikkeling hebben geen zicht meer op langjarige subsidies.

De Raad voor Cultuur wil meer vrijheid krijgen in het aantal instellingen waarover de subsidies moeten worden verdeeld en in de normbedragen voor de subsidies. Zo geeft het Rijk nu subsidie aan zes presentatie-instellingen. Maar waarom niet alleen de twee grootste (De Appel en Witte de With) meer rijkssubsidie geven en de overige vier verwijzen naar het Mondriaan Fonds? Dat zou dan wel meer budget en meer ruimte moeten krijgen om subsidies meerjarig te verstrekken. Ook het Fonds Podiumkunsten zou die ruimte moeten krijgen.

3 Wat te doen met het Metropole Orkest?

Op de valreep werd ruim twee jaar geleden het Metropole Orkest door de Tweede Kamer gered met een noodoplossing. Deels met een potje uit het omroepbudget, deels met geld uit de Cultuurbegroting. Vanaf 2017 zou het Metropole Orkest op eigen benen moeten staan. Of: opgenomen worden in die basisinfrastructuur. Dat zou ten koste gaan van de symfonieorkesten. Die kregen al zware bezuinigingen voor de kiezen in 2013 en hebben de bezetting van hun orkest in veel gevallen teruggebracht; veel musici zijn in deeltijd gaan werken. De rek is er bij die orkesten uit. Als politici het Metropole Orkest willen invoegen, zullen ze een orkest moeten opofferen.

Er is een ontsnappingsmogelijkheid: Dat is het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor van de Mediabegroting overhevelen naar de Cultuurbegroting die daardoor hoger wordt. Ondanks forse bezuinigingen op de omroeporkesten krijgen zij nog overheidsfinanciering voor 14 miljoen euro, meer dan welk orkest ook krijgt binnen de basisinfrastructuur. Als dat geld naar de Cultuurbegroting gaat en zij iets indikken, kan het Metropole Orkest structureel steun krijgen als enige orkest dat geen klassieke muziek speelt.

4 Eén reizend operagezelschap?

Opera is de duurste vorm van podiumkunst. De subsidie per bezoeker valt onvermijdelijk hoger uit dan bij welke kunstvorm ook door de inzet van zangersensemble, orkest en koor en vaak kostbare decors. Zo is de subsidie voor de drie operagezelschappen met ruim 36 miljoen anderhalf keer wat 8 toneelgezelschappen nu ontvangen.

De status van De Nationale Opera is onomstreden en die hoefde in 2013 maar beperkt subsidie in te leveren. Maar de Nederlandse Reisopera werd in de bezuinigingen hard getroffen: van de 8,5 miljoen euro subsidie hield het gezelschap er 3,5 miljoen euro over. Het waagde na een forse reorganisatie een flinke vlucht vooruit en geeft vooral ruimte aan jong talent. Het maakt meer producties en is een samenwerking aangegaan met Carré in Amsterdam. Het verlies was met 4,5 ton hoog in het eerste bezuinigingsjaar 2013. Ook Opera Zuid is kwetsbaar. Wegens de ‘zorgelijke financiële situatie’ maakt het gezelschap nog maar twee grote producties per jaar.

Voorzichtig klinken er geluiden of deze twee operagezelschappen op de lange duur wel levensvatbaar zijn. Of hun beperkte reserves bij één mislukte productie niet te snel zijn uitgeput en omvallen dreigt. Samenvoeging tot één steviger gesubsidieerd reisgezelschap dat alle steden buiten Amsterdam bedient zou wellicht beter zijn, wordt al voorzichtig geopperd.

5 Rijksakademie en de Ateliers: hoe verder?

Vanaf 2017 krijgen de Rijksakademie, de Ateliers en de Jan van Eyck Academie geen subsidie mee. Althans, dat is besloten door het vorige kabinet. Dat wilde destijds ook een fusie afdwingen tussen de Rijksakademie en de Ateliers in Amsterdam. De krachtenbundeling mislukte, omdat bij de Ateliers de angst leefde dat de eigen identiteit van de instelling verloren zou gaan. Voorzitter Joop van Caldenborgh haalde vervolgens geld op bij particuliere geldschieters. De Rijksakademie behield haar subsidie, de Ateliers moest genoegen nemen met een aflopende subsidie.

Bussemaker stelt zelf in haar adviesaanvraag de vraag wat er nu met deze instellingen moet gebeuren. Ze noemt het belang dat „bij één of meerdere instellingen” voldoende mogelijkheden blijven bestaan voor beeldend kunstenaars om zich gedurende een wat langere periode onder begeleiding te ontwikkelen.

De Raad voor Cultuur heeft al eerder gewaarschuwd dat de drie academies het niet redden zonder overheidssteun. Wat betekent dat? Zal Bussemaker toch geld vrij maken, in de basisinfrastructuur of via het Mondriaan Fonds? En wie krijgt het? Komt er een keuze tussen de Rijksakademie en de Ateliers in Amsterdam? En wat gebeurt er met de underdog in Maastricht, de Jan van Eyck Academie?

6 Kan de kunstenaar nog iets verdienen?

Door de bezuinigingen zijn bij veel culturele instellingen banen verdwenen. Veel werkloosheid is echter verborgen, omdat kunstenaars weten te overleven met zeer lage inkomsten uit losse klussen en deeltijdbaantjes. Ze werken als kleine zelfstandige (zzp’er) of freelancer. De Raad voor Cultuur heeft contact gezocht met de Sociaal-Economische Raad en wil samen een verkenning doen naar de positie van de groeiende groep culturele zzp’ers. Wat krijgen zij betaald en hoe zijn hun sociale voorzieningen geregeld? Worden hun rechten, zoals auteursrechten, wel voldoende gerespecteerd? Een acteur verdient gemiddeld maar 12.000 euro per jaar. Voor autonome kunstenaars, zoals schilders en beeldhouwers, is de situatie vaak nog ongunstiger. Zij krijgen bovendien als hun werk wordt tentoongesteld geen of nauwelijks een vergoeding van musea. Hooguit een onkostenvergoeding. En als er wel een honorarium wordt gegeven, gaat het om bedragen van 150 tot 3.000 euro, zo bleek dit najaar uit onderzoek. In onder meer Canada en Zweden zijn musea verplicht om ‘hang- en stagelden’ te betalen aan kunstenaars. Er gaan stemmen op om dit ook in Nederland eindelijk te regelen. Dat hoeft niet per se in een wet – het zou ook een subsidievoorwaarde kunnen zijn voor musea om kunstenaars een behoorlijk honorarium te betalen.

7 Hoe om te gaan met grote fusies?

De Rotterdamse Schouwburg gaat fuseren met het Ro Theater, Wunderbaum en het Rotterdams Productiehuis. In Den Haag onderzoeken de Koninklijke Schouwburg en het Nationale Toneel een fusie. Rijksgesubsidieerde gezelschappen gaan zo samen met door de gemeente gesubsidieerde gebouwen. Dat is lastig in het huidige subsidiestelsel, maar de overheden hebben al toegezegd die subsidies te faciliteren.

De stad is de thuisbasis, het speelveld is de wereld, schreef de Raad voor Cultuur al in zijn Cultuurverkenning. Gezelschappen zoeken verbinding met hun eigen stad, maar zoeken ook de internationale podia. In de debatten die de Raad in het hele land heeft gevoerd, blijkt dat grotere steden hun eigen culturele profiel zoeken. De theaters, musea en gezelschappen sluiten daarbij aan.

Strikte landelijke prestatiecriteria passen daar eigenlijk niet bij. Zo zal voor het ene gezelschap rondreizen door het land nog heel vanzelfsprekend zijn, maar aan een ander zouden minder reisverplichtingen opgelegd moeten worden.

Daar kan het Rijk voor de periode na 2017 al aan werken. Maar naarmate de trend doorzet dat podia, grotere en kleinere gezelschappen gaan fuseren, zal het subsidiestelsel na 2020 op zijn kop moeten.

8 Hoe kunnen instellingen zich profileren?

Het publiek van culturele instellingen is minder trouw dan voorheen. Kochten mensen vroeger een seizoensabonnement, de moderne cultuurconsument kijkt vaak op het laatste moment waar hij heen wil. De instellingen zijn hun ‘gidsfunctie’ kwijtgeraakt, het publiek laat zich steeds meer leiden door tips van gelijkgestemden. Om publiek te trekken en aan zich te binden, zullen culturele instellingen zich steeds duidelijker moeten profileren. Ze doen nu te veel hetzelfde. Dat is niet alleen hun eigen schuld, de overheid heeft dat soms ook opgelegd. Zo moeten álle culturele instellingen nu nog een aanbod hebben op het gebied van cultuureducatie. De Amsterdamse Kunstraad signaleerde vorige maand al dat scholen last hebben van keuzestress. De Raad voor Cultuur wil graag meer maatwerk in de manier waarop instellingen bij de subsidieaanvraag worden beoordeeld. Nu gelden voor alle instellingen precies dezelfde criteria. Is het echt nodig dat alle instellingen aan cultuureducatie doen? Zou het niet beter zijn als sommige instellingen zich daarin specialiseren, en andere zich concentreren op andere zaken waar ze goed in zijn? Ook een criterium als publieksbereik kan best eens onder de loep worden genomen. Gaat het er alleen om hoeveel kaartjes een instelling verkoopt? Of is het ook belangrijk dat instellingen nieuwe doelgroepen trekken?