Verschil vervaagt tussen wetenschappen

Ik herinner mij mijn eerste college economie als de dag van gisteren. Een druilerige maandag in een inmiddels gesloopte collegezaal. Mijn docent was professor J. Klant, hoogleraar geschiedenis van het economisch denken. Het college ging over Adam Smith, David Ricardo en andere helden uit onze discipline. Maar het ging ook over de grondslagen van de sociale wetenschappen. Die waren fundamenteel verschillend van de natuurwetenschappen, zo leerde Klant ons. In de natuurwetenschappen kon je experimenteren. Sociale wetenschappers konden dat niet. Natuurwetenschappen kenden natuurwetten, sociale wetenschappen niet. Maar bovenal was er het probleem van determinisme versus vrije wil: de natuurwetten schreven deterministisch voor hoe deeltjes zich gedroegen. Hoe anders was dat bij mensen. Die hebben de onhebbelijke gewoonte om uit vrije wil hun eigen weg te kiezen. Kom maar op met je theoretische voorspelling, professor. Wat ga ik dadelijk zeggen: ‘ja’ of ‘nee’? Ik voorspel u één ding met zekerheid: uw voorspelling komt niet uit. Daar zal ik persoonlijk voor zorgen. Het college stelde vragen die ik mij al jaren bezig hielden: hoe verhoudt de voorspelling van de sociale wetenschapper zich tot de eigen verantwoordelijkheid van het individu? Ik vond het prachtig.

En toch zou je dat college vandaag de dag nooit meer zó geven. Tussen de wereldbeelden van de sociale wetenschapper van toen en die van vandaag gaapt een diepe kloof: het gevolg van vijfendertig jaar wetenschappelijke vooruitgang. Of misschien beter: die vooruitgang heeft een kloof gedicht. Het verschil tussen sociale- en natuurwetenschappen vervaagt geleidelijk. Edward Wilson – bioloog op Harvard en onlangs in deze krant onderwerp van controverse tussen Bas Heijne en Rosanne Hertzberger – is een van de mensen die er prachtig over kunnen schrijven. Lees vooral zijn boek Consilience. De chaostheorie heeft ons laten zien waarom zelfs systemen die voldoen aan simpele wiskundige wetten, toch moeilijk voorspelbaar zijn. Zoals de klapwiekende vlinder die duizend mijl verderop een orkaan veroorzaakt. Het weer is inderdaad een typisch voorbeeld. De relevante wetmatigheden zijn genoegzaam bekend. Toch tast de weerman voorbij de eerste paar dagen nog steeds in het duister.

De evolutionaire en moleculaire biologie, de psychologie en de archeologie bieden steeds meer inzicht in hoe homo sapiens zich in de loop van miljoenen jaren heeft ontwikkeld. Die wetmatigheden komen economen bekend voor. Selectie en efficiency zijn in de evolutie cruciaal. Niemand ontkent dat wij een unieke soort zijn. Onze macht over deze wereld is immers ongeëvenaard. Tegelijkertijd zijn wij niet meer dan één soort onder duizenden andere. Geen van onze eigenschappen blijkt uniek. Slechts een gelukkige combinatie ervan heeft ons de laatste tienduizend jaar in staat gesteld de heerschappij over dit ondermaanse te verwerven. We zijn net een beetje slimmer en beter in staat tot samenwerken, we hebben het goede postuur en bovenal: we hebben alle golven van selectie overleefd. Maar verder is aan ons niet zoveel bijzonders.

Met dit toenemende inzicht komt ook de vraag naar de herkomst van ons bewustzijn in beeld, van onze emoties en ons normbesef. Wat is de evolutionaire rol van schoonheid en kunst? De kunstuitingen van primitieve menselijke samenlevingen in verschillende continenten lijken verbijsterend op elkaar. We weten ook dat onze planeet niet meer is dan een uithoek van het heelal, zoals er nog miljoenen andere uithoeken zijn. Je zou bijna denken dat er dan in minstens één andere uithoek ook leven moet zijn. Het zijn allemaal fascinerende inzichten, die in ieder geval mijn wereldbeeld op zijn kop hebben gezet. En wat we ermee moeten? Eerlijk gezegd: nog geen idee.