Met zichzelf geconfronteerd

Schrijfster Franca Treur houdt van schrappen. Resultaat: de reeks ultrakorte verhalen ‘X & Y’ over relaties.

Illustratie Olivia Ettema
Illustratie Olivia Ettema

Ik geef het je te doen, lelijk zijn in een sigarenwinkel tussen al die gebruinde cowboys aan de muur, trekkend aan een Marlboro, en daaronder schappen vol adembenemende covergirls. Ik bedoel, zonder zo’n omgeving is het al moeilijk genoeg. Ik weet waar ik het over heb.

Toen Stefan bovenop nog haar had, en er meisjes op scooters speciaal bij hem sigaretten kwamen kopen, was hij in principe tegen iedereen zo niet vriendelijk dan toch neutraal. Inmiddels is het al een decennium geleden dat ik hem een compliment heb horen maken. Alleen honden kunnen nog op hem rekenen. „Wat een mooie hond”, hoor ik hem soms zeggen. „Hij heeft er zin in vandaag, u boft toch maar met zo’n prachtige hond.” En nu is Stefan in het stadium dat hij mooie klanten standaard beledigt, al dan niet op een indirecte manier. „Heb jij een glazen oog”, vraagt hij aan knappe jonge vrouwen. En aan mannen: „Bad hair day, vandaag?”

Hoelang gaat zoiets goed, denk je dan.

Een ondernemer kan best een keer boos worden op opgeschoten jongens op de stoep, zeker als ze brommers hebben die ze keer op keer starten, maar klanten behandel je met respect voor hun portemonnee.

Stefan denkt niet zo. Als hij zin heeft om te beledigen, dan beledigt hij gewoon. Hij houdt niet van zijn klanten, niet van zijn winkel, niet van geld. Die onafhankelijkheid maakt hem ook aantrekkelijk. Ik glimlach als ik hem hoor zeggen dat geld voor hem niets betekent, maar toevallig werd hij gisteren juist op dat punt nogal met zichzelf geconfronteerd.

Het gebeurde door mij, zijn overbuurvrouw. Ik kom al 25 jaar in zijn winkel, zonder dat we veel woorden wisselen. Stefan en ik lijken zó op elkaar, we hebben geen woorden nodig.

Ik zei, en ik moest natuurlijk zelf ook iets overwinnen, want het zijn geen dingen die je makkelijk doet voor de allereerste keer: „Kijk nou toch wat een mooie dag. Kom, gooi die tent een keer dicht. Ik heb zin om met jou een ijsje te eten in het park.”

Het kon niet, zei Stefan. Ik moest dat begrijpen. Ik snapte toch zeker wel dat hij een winkel had?